*

 
dossier

Archief

Verlicht eigenbelang van industrie spoort toevallig met bezuinigingswens overheid

PUCK BOSSERT − 30/01/96, 00:00

De auteur is hoofd in- en externe betrekkingen van Nefarma.

De Kruijf baseert zijn conclusie met name op het inkoopbeleid van zijn eigen apotheek in Werkendam. Nederland telt echter ongeveer 1500 apotheken en gelukkig baseert de Nederlandse overheid haar besluitvorming niet op de huishouding van een individuele apotheker of een farmaceutisch bedrijf. Ministeries kijken naar macro-cijfers en, als uitvloeisel van het paarse regeerakkoord, naar macro-besparingen.

Wat betekent dit in de praktijk? Het kabinet heeft eenvoudigweg de gehele farmaceutische sector een rekening gepresenteerd van 700 miljoen gulden om een aantal politieke wensen van de drie coalitiepartijen te financieren. Ik noem het voorlopig afzien van eigen bijdragen, de afschaffing van de vermogenstoets voor bejaarden etc. Er moest eenvoudigweg, zoals het Tweede-Kamerlid Oudkerk (PvdA) op 29 november jl. in het debat over de Prijzenwet openhartig meedeelde, een bepaalde besparing worden gehaald en daar is in de Prijzenwet de technische regelgeving op afgestemd.

Een regelgeving met ernstige bijwerkingen voor de farmaceutische bedrijven die nieuwe medicijnen introduceren. Volgens een recente Nipo-enquête zouden minimaal 2 000 en maximaal bijna 3 000 banen verdwijnen in de farmaceutische industrie, bij toeleveranciers en onderzoeksinstituten. Gezien de werkloosheid geen aantrekkelijk perspectief voor het kabinet. Mede daarom heeft minister Borst voortdurend beklemtoond dat het kabinet eigenlijk de voorkeur geeft aan eigen initiatieven van de farmaceutische industrie boven de implementatie van de Wet Geneesmiddelenprijzen.

Daarbij heeft de minister fijntjes opgemerkt dat, met de nieuwe wet in de hand, de overheid een fors sanctiemiddel achter de hand heeft. Immers, levert een alternatief niet de gevraagde besparing op, dan worden farmaceutische ondernemingen zonder omwegen geconfronteerd met de Prijzenwet. Kortom: de minister is linksom of rechtsom verzekerd van de besparing.

Beperkt deel

Dit duidelijke politieke signaal is door Nefarma vertaald in het door apotheker De Kruijf en een deel van zijn collegae in diverse publikaties gewraakte alternatief. De huiscomputer in Werkendam berekende dat in het Nefarma-alternatief, vrij vertaald, 'de dure medicijnen' buiten schot zouden blijven. Die conclusie baseert De Kruijf dan op het ruwe feit dat in Nederland van de farmaceutische top-10 in geldwaarde alle geneesmiddelen nog zijn geoctrooieerd en dat van de top-50, gemeten naar omzetwaarde in zijn eigen apotheek, drie kwart van de medicijnen nog door een octrooi worden beschermd.

In deze cijfertechnische benadering laat hij de Trouw-lezers slechts een beperkt deel van de nationale markt zien. Kijken we naar de totale markt in Nederland, dan zien we dat de top-10 van de geneesmiddelen 13 procent en de top-50 circa 32 procent van de marktwaarde vertegenwoordigen (bronnen: Farminform, IMS). De cijfermatige onderbouwing van het Nefarma-plan - dat is een conditio sine qua non voor het kabinet - moet zijn gebaseerd op de gehele markt. Dan blijkt dat 60 procent van de omzet (in geldwaarde) betrekking heeft op geneesmiddelen die geen octrooibescherming (meer) hebben en 40 procent waarvoor dat nog wel geldt.

In het voorstel van Nefarma worden ook twee andere vertrekpunten van het kabinet verankerd die in het betoog van de heer De Kruijf ontbreken. De voorgestelde systematiek realiseert een duurzame verandering in de marktstructuur. Verborgen margeconcurrentie (apothekers berekenen de genoten inkoop-voordelen niet door aan de ziektekostenverzekeraars c.q. de patiënten) wordt ingeruild voor open prijsconcurrentie en transparantie.

Minister Borst schrijft op 12 januari aan de Eerste Kamer dat een prijsbeleid “dan wel symptoombestrijding is, maar dat een lager prijsniveau het proces naar een andere marktstructuur zal versnellen”. Die inzet bindt (en daar moeten een aantal andere partijen in de farmaceutische bedrijfskolom blijkbaar nog aan wennen) de innoverende farmaceutische bedrijven en het kabinet.

Beiden kopen, vrij vertaald, niets voor de soms hoge kortingen en bonussen die worden uitgereikt aan de afnemers. Daardoor slinkt het budget voor nieuwe geneesmiddelen die, door geldgebrek (= sluiting Lijst 6) niet worden vergoed. Verbeterde farmacotherapieën met een aantoonbaar hoge meerwaarde komen daardoor niet binnen handbereik van tienduizenden Nederlanders (o.a. reuma, multiple-sclerose, kanker, aids etc.). En nieuwe medicijnen zijn de echte levenslijn van de innoverende farmaceutische ondernemingen.

Het Nefarma-plan is natuurlijk gebaseerd op verlicht eigenbelang, dat zal ook niemand in onze branche ontkennen, maar wat is er vreemd aan om de continuïteit van bedrijfsvoering veilig te willen stellen? Het is hoogstens ironisch dat op dit moment het verlicht eigenbelang van de innoverende farmaceutische industrie spoort met de hoofddoelstelling van het kabinet.

De minister heeft tevens aangegeven dat het alternatief uitvoerbaar en handhaafbaar moet zijn. Daarom heeft Nefarma gekozen voor een - voor alle betrokkenen - praktische en eenvoudig te hanteren methodiek.

Er wordt door Nefarma een onderscheid gemaakt tussen zogeheten multi-source geneesmiddelen (= merkgeneesmiddelen en hun merkloze concurrenten) en single-source (= alle andere geneesmiddelen). De prijsverlaging voor single-source produkten loopt uiteen van 2 tot 7 procent, terwijl die voor multi-source produkten varieert van 20 tot 25 procent. Hierin bevinden zich veel van de generieke geneesmiddelen waarvan mevrouw Borst in haar al genoemde brief aan de Eerste Kamer constateert: “met name in dit segment van de markt worden hoge kortingen en bonussen aan apotheekhoudenden gegeven”. Ook schrijft zij dat het prijspeil van generieke geneesmiddelen in Nederland veelal boven dat van vergelijkbare parallel-geïmporteerde merkgeneesmiddelen ligt.

In Nederland is de marktverdeling in single-source en multi-source ruwweg 50 procent en 50 procent (in omzet). Gebaseerd op dit marktgegeven wordt door de door Nefarma voorgestelde prijsverlagingen, de al geïmplementeerde prijsaanpassingen voor grote geoctrooieerde produkten en marktwerking (m.n. in het generieke segment) in het eerste jaar al een besparing gerealiseerd van 525 miljoen gulden.

In de komende jaren zal door het vervallen van de octrooibescherming van grote produkten, marktwerking en additionele prijsverlagingen van geoctrooieerde geneesmiddelen de structurele besparingsdoelstelling van het ministerie worden gerealiseerd. Onafhankelijke rekenmeesters worden uitgenodigd om dit proces te controleren.

Sigaar

In dit verband is er nog een feitelijke omissie in het betoog van de heer De Kruijf. In Nederland heeft de industrie van generieke geneesmiddelen een marktaandeel van 10 tot 12 procent. Dit betekent dat het grootste deel van de besparingen (= ongeveer 80 procent) via het produktenpakket van Nefarma wordt gerealiseerd. Er is dus absoluut geen sprake van, dat Nefarma hier een sigaar uit andermans doos presenteert, zoals De Kruijf suggereert.

Het heeft er integendeel alle schijn van, dat in de afgelopen jaren met name apotheekhoudenden de inhoud van de doos al hebben weggenomen. Zo wordt in het december-nummer van Apotheker Info door het adviesbureau Hufen, gespecialiseerd in de aankoop en verkoop van openbare apotheken, gemeld dat “circa 10 procent van de openbare apothekers niets van doen hebben met bovenmatige bonussen en kortingen. Ongeveer 80 procent van de apothekers zal van die bonussen en kortingen niet afhankelijk zijn, maar gaat deze niet uit de weg. Slechts ongeveer 10 procent van de apothekers tracht zoveel mogelijk korting te krijgen.” Het is dus niet zo verwonderlijk dat KNMP-directeur Hoornweg (Pharmaceutisch Weekblad nr. 3 1996) verwacht dat het Nefarma-voorstel een aanzienlijke reductie zal bewerkstelligen van de bonussen en kortingen: “Twintig procent prijsverlaging hakt er fors in.”

Substitutie

De apothekers vrezen, aldus de heer De Kruijf, dat door het Nefarma-plan het grote prijsverschil tussen de dure nieuwe geneesmiddelen (geoctrooieerd) en oudere geneesmiddelen (zonder octrooi) groter wordt. Ook hier geeft hij een beperkt zicht op de alledaagse praktijk. Apothekers mogen immers van de overheid duurdere geneesmiddelen vervangen door generieke preparaten en parallel geïmporteerde geneesmiddelen, mits voldaan wordt aan de criteria van de Merkenwet. Zij ontvangen voor dit vervangingsbeleid een aparte honorering. De KNMP heeft becijferd dat in 1995 de apothekers gezamenlijk 75 miljoen gulden (excl. BTW) hebben verdiend aan deze substitutie, die de overheid een besparing van 150 miljoen (excl. BTW) opleverde.

Deze bedragen zullen waarschijnlijk nog groter worden als het plan van Nefarma wordt geïmplementeerd. Een toenemend prijsverschil zal er in de praktijk namelijk toe leiden dat de keuze tussen dure en goedkopere medicijnen bewuster wordt gemaakt. Duurdere, geoctrooieerde geneesmiddelen zullen alleen worden voorgeschreven als de farmacotherapeutische meerwaarde medisch noodzakelijk is. Marktwerking bewerkstelligt dat fabrikanten van nieuwe geneesmiddelen zich trouwens wel drie keer zullen bedenken om te hoge prijzen te vragen voor hun produkten als ze door apothekers 'generiek' of door parallel-import kunnen worden vervangen. Daarnaast is er de dreiging van de Prijzenwet.

Conclusie: als alle spelers op het farmaceutische veld kiezen voor de door het kabinet beoogde grotere marktwerking, dan is de patiënt, en daar gaat het toch echt om, de lachende derde. Die krijgt de beschikking over nieuwe en goedkopere geneesmiddelen. Binnen de farmaceutische bedrijfskolom heeft Nefarma, door middel van het concrete alternatief, zijn verantwoordelijkheid opgepakt. Wij zijn benieuwd naar de concrete stappen van de andere partijen.

mailIcon print |