AMSTERDAM - Aanhoudende banengroei in Nederland en een naar recordhoogte gestegen werkloosheid in Duitsland. Het “jaloers makende verschil in economische ontwikkeling” is zo frappant, dat Johannes Rau, de minister-president van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, er deze week speciaal voor naar Den Haag reisde. Om “iets te leren van het kleine Wirtschaftswunder” dat zich volgens hem in het buurland voltrekt.
Verschillen zijn er zeker, leert ook een rondgang langs financiële analisten bij Nederlandse onderzoeksinstituten. Maar over de betekenis die aan die verschillen moet worden toegekend, blijkt uiteenlopend te worden geoordeeld. Het meest in het oog springende onderscheid is de jarenlange loonmatiging, waardoor het salarisniveau in Nederland nu zo'n 15 tot 20 procent onder dat in Duitsland zou liggen.
Een belangrijk punt, zegt de econoom S. Hoek, van het onafhankelijke bureau Financiële Diensten Amsterdam. Om de loonkosten per eenheid product laag te houden en op de exportmarkten concurrerend te blijven, hoeft het Nederlandse bedrijfsleven daardoor minder rigoureus te saneren dan in Duitsland gebeurt, redeneert hij. Als gevolg daarvan is de werkgelegenheid in de Duitse verwerkende industrie naar zijn zeggen sinds 1991 al met een derde geslonken. “Forse loonstijgingen, zoals in Duitsland en ook Frankrijk met hun vaak conflictvolle arbeidsverhoudingen, moet je vanwege de internationale concurrentie compenseren met het flink opvoeren van de arbeidsproductiviteit. Dan heb je minder mensen nodig en dat uit zich in werkloosheid. In de Verenigde Staten - en ook in Nederland dat qua beleid sinds halverwege de jaren tachtig in de Amerikaanse richting is opgeschoven - zie je het omgekeerde. Daar is de productiviteit lager, maar daardoor zijn er ook minder werklozen.”
Groei uit buitenland
Ook N. Klene, analist Nederland van het economisch bureau van bank ABN Amro, wijst op het verschil in loonkosten. “Door de arbeid goedkoop te houden en de exportpositie te versterken, hebben wij economische groei uit het buitenland gehaald.”
Maar dit verklaart niet alles. Zo brengt Klene in herinnering dat er ook in het Nederlandse bedrijfsleven flink is gesaneerd. Alleen gebeurde dat hier al in een eerder stadium, rond 1990, zoals bij Philips. Daardoor heeft Nederland een voorsprong opgebouwd, denkt Klene. De Duitsers, oppert hij voorzichtig, hebben te lang gedacht dat de export wel zou lukken als de kwaliteit van hun producten maar goed was. Op het prijsniveau werd minder gelet. “Als gevolg van dat vertrouwen op kwaliteit is nu hun concurrentiepositie uitgehold.”
De Rotterdamse econoom prof. J. Kol, van de Erasmus Universiteit, heeft nog meer twijfel bij het loonverhaal als verklarende factor voor het Nederlandse succes. “Ik weet dat niet”, zegt hij. “Loonmatiging kan wel je exportpositie versterken, maar het leidt ook tot stagnatie van de koopkrachtige vraag in eigen land.” Kol, specialist op het gebied van de Europese integratie, betwist ook dat de arbeidsproductiviteit in Nederland bij die in Duitsland zou zijn achtergebleven. Hij wijst op een recente studie van het Centraal Planbureau, waarin werd betoogd dat de productiviteit zich in Nederland juist veel beter ontwikkelt dan in de buurlanden.
Conflictmodel
Een groter belang hecht Kol aan de ook in zijn ogen “constructieve opstelling” van de Nederlandse vakbeweging, waardoor er in Nederland geen sprake is van een 'conflictmodel', zoals in Duitsland.
Daarnaast wijst hij op het “zegenrijke werk en de lange-termijnvisie” van secretaris-generaal Geelhoed van het ministerie van economische zaken. “Jarenlang heeft die vasthoudend aangedrongen op deregulering van de goederen- en arbeidsmarkten in Nederland. Dat geeft economische groei. Daarnaast heeft Geelhoed een start gemaakt met het wegwerken van de achterstand die Nederland had op het gebied van de infra-structurele werken.”
Maar of deze punten nu werkelijk het verschil in prestaties verklaren? Kol weet het niet. “Het ene jaar doet het ene land het wat beter, het volgende jaar het andere land. Om het goed te vergelijken moet je kijken over een periode van zeg twintig jaar.”
Duitse eenwording
Op één punt zijn de drie economen het roerend met elkaar eens: de vergaande economische gevolgen van de Duitse eenwording, waardoor de Bondsrepubliek in 1990 de voormalige DDR op z'n nek kreeg. Om het straatarme en qua productiviteit sterk achtergebleven oosten van Duitsland er bovenop te helpen, trekt Bonn jaarlijks zo'n 150 miljard mark uit voor extra-investeringen.
“Een zware last, veel zwaarder dan aanvankelijk gedacht”, zegt analist Klene van ABN Amro. “Een enorme budgettaire prestatie”, oordeelt ook collega Hoek van Financiële Diensten Amsterdam. “Het gaat niet helemaal naar wens met de Duitse economie. Maar als je meeweegt, dat het loonniveau in de voormalige DDR inmiddels al is opgetrokken tot zo'n 80 à 95 procent van dat in het westen, terwijl de productiviteit er nog niet de helft is, dan valt het allemaal nog reuze mee.”
Prof. Kol is het er helemaal mee eens. “De snelle eenwording was tegen het advies van de Bundesbank, en de gevolgen vallen inderdaad niet mee. Toch was het flink van bondskanselier Kohl. Ik zeg het met enige sympathie, het was een goed besluit.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.