De auteurs zijn lid van de GroenLinks-fractie in de Tweede Kamer.
In de jaren tachtig heeft een groep illegalen zich gewend tot politiek Den Haag om een oplossing te treffen voor hun onhoudbare situatie. Betrokkenen - zogenaamde WAO-slachtoffers - genoten al jaren een WAO-uitkering als gevolg van hun werk in de industrie, maar dreigden psychisch af te takelen vanwege hun rechteloze positie als illegalen in de samenleving.
Een van de auteurs van dit artikel heeft toen als directeur van het Nederlands Centrum Buitenlanders aandacht gevraagd van politici als Buurmeijer (PvdA), Kraaijenbrink (CDA) en Wiebenga (VVD) voor deze problematiek. Zij hadden alle drie oog voor de humanitaire aspecten van deze 'WAO-slachtoffers', maar benadrukten dat deze gevallen individueel op hun merites beoordeeld moesten worden. Mede door inzet van deze politici hebben mevrouw Korte-van Hemel, toenmalig staatssecretaris van justitie, en later haar opvolger Kosto aandacht geschonken aan de situatie van deze illegalen.
Het is bekend dat Kosto een streng toelatingsbeleid heeft gevoerd. Het is ook bekend dat dit beleid in de Kamer door de fracties die nu verontwaardigd reageren, met name VVD, CDA en D66, gesteund werd. Met name de VVD was zeer ingenomen met het beleid van Kosto, zo zeer zelfs dat sommigen Kosto beschouwden als de enige 'VVD-bewindspersoon' in het kabinet-Lubbers/Kok.
Maar Kosto had wel oog voor de humanitaire aspecten van individuele problemen van vreemdelingen. In die zin heeft hij een aantal illegalen in aanmerking laten komen voor een verblijfsvergunning, nadat gebleken was dat zij voldaan hadden aan zeer strenge criteria, zoals zes jaar 'wit' hebben gewerkt, geen justitieel verleden, enzovoort.
De partijen die nu verontwaardigd reageren, zijn juist de partijen die daartoe het minste recht zouden hebben. Immers, het CDA maakte deel uit van het kabinet-Lubbers/Kok en is daarmee deelgenoot van het humanitaire beleid van Kosto. De VVD wist sinds het ordedebat met Kosto van 3 november 1992 van diens aanpak en heeft zich daarbij neergelegd. En D66 heeft tot twee keer toe, te weten op 31 juli 1992 en op 10 augustus 1994, kennis genomen van de criteria van Kosto terzake van dit beleid zonder daartegen te protesteren.
Raad van State
De verontwaardiging van deze drie partijen is meer ingegeven door politiek opportunisme dan door het oprechte gevoel overvallen te zijn door een nieuw beleid van de zijde van mevrouw Schmitz. Immers, die heeft niets anders gedaan dan de individuele en humanitaire aanpak van haar voorganger op papier zetten op aandrang van de Raad van State. Want in een rechtsstaat dient ook een humanitair beleid rechtszekerheid te bieden aan degenen op wie het gericht is.
Zijn de bezwaren van deze partijen tegen de werkwijze van mevrouw Schmitz steekhoudend? Naar onze opvatting niet. De volgende argumenten mogen het duidelijk maken.
VVD-woordvoerder Rijpstra poneert dat mevrouw Schmitz onder curatele gesteld moet worden omdat zij elke keer de VVD-fractie verrast met nieuw beleid. Welnu, het bovenstaande laat duidelijk zien dat de VVD zich nooit heeft verzet tegen deze humanitaire aanpak die gevoerd werd door de heer Kosto en nu door mevrouw Schmitz. Kennelijk mag zij van de heer Rijpstra niet op papier zetten wat haar voorganger Kosto met steun van de VVD in de afgelopen jaren heeft uitgevoerd.
De CDA-woordvoerder Verhagen voelt zich overrompeld door het initiatief van mevrouw Schmitz en beschouwt dit humanitaire beleid als een premie op de illegaliteit. Voor hem geldt dat het CDA medeverantwoordelijk was voor deze werkwijze. De economische premie op het inzetten van illegalen wordt juist door de samenleving geïncasseerd.
Van D66-zijde wordt bij monde van de heer Dittrich mevrouw Schmitz tegenstrijdig beleid verweten. Zij zou de illegalen de kans geven om de legalen van de arbeidsmarkt weg te concurreren, terwijl het beleid van het kabinet erop gericht is de werkloosheid onder de allochtonen te bestrijden. Hij beroept zich hierbij op het feit dat het regeerakkoord van het kabinet-Kok zich in deze baseert op de aanbevelingen van de commissie-Zeevalking. Wij wijzen hem erop dat juist deze commissie heeft gepleit voor het versoepelen van de tewerkstelling van illegalen tot maximaal een periode van 6 maanden, indien dit voor een aantal sectoren onontbeerlijk is. Over tegenstrijdigheid gesproken!
In het algemeen wordt door allen het bezwaar aangevoerd dat het op klemmende humanitaire gronden legaliseren van individuele gevallen een aanzuigende werking zou hebben naar Nederland. Hiertegen kan ingebracht worden dat de koppeling van bestanden van verschillende instanties zoals sociale dienst, vreemdelingendienst, belastingen, etc., gevoegd bij de inmiddels verhoogde sancties op het tewerk stellen van illegalen, het gevreesde effect volledig neutraliseert. De in het geding zijnde groep illegalen zal hierdoor binnenkort verdwenen zijn.
Terugkeerprogramma
Voor het oplossen van het illegalenvraagstuk is dit natuurlijk niet de oplossing. Daar is een andere aanpak voor nodig. Zoals bekend wordt de migratie veroorzaakt door een scheve verdeling van democratische rechten en economische goederen in de herkomstlanden. Op lange termijn kan alleen substantiële ontwikkelingshulp, gekoppeld aan een zware druk op de herkomstlanden om te democratiseren, een andere wending geven aan de migratiestromen.
Intussen zal Nederland samen met de andere landen van de Europese Unie zich moeten inzetten om een terugkeerprogramma voor de illegalen van de grond te krijgen. Alleen een terugkeer met enig economisch perspectief zal de illegalen doen besluiten om zich opnieuw in hun land van herkomst te vestigen.
Wij hopen dat de partijen die nu verontwaardigd reageren op het humanitaire beleid van mevrouw Schmitz, zich straks ook sterk willen maken voor zo'n terugkeerprogramma.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.