PUTTEN - Over zijn vertrek is hij kort. “Ik ga weg, omdat ik iets anders wil. Ben niet van de flitsende generatie die van baan naar baan holt. Maar nu ik 51 ben, is het tijd om te veranderen. Anders kan het niet meer.”
Piet Kruizinga, voorzitter en jarenlang hét gezicht van de Algemene christelijke politiebond (ACP), maakt in maart de overstap van het rumoerige politieveld naar de anonieme wereld van visueel gehandicapten. Hij treedt in dienst van het Ermelose instituut Sonneheerdt, waar hij zich als hoofd van de afdeling arbeidsbemiddeling zal inzetten voor de integratie van blinden en slechtzienden in de samenleving.
Zijn afscheid bij de ACP had best eerder gekund, zegt hij. “Tien jaar geleden, in het pre-Rottenbergsiaanse tijdperk, stond ik op de kandidatenlijst voor de PvdA. Dat werd dus niets. Daarna heeft zich, hoe raar dat ook klinkt, geen geschikte gelegenheid meer voorgedaan om te verkassen. Bij de ACP kennen we een smalle top van drie mensen. Door de vele wisselingen daar werd telkens een beroep op mij gedaan nog een tijdje te blijven. Ik ga naar Sonneheerdt, maar het had ook een baan bij de politie kunnen zijn. Die optie was er, maar het duurde mij te lang. Ofschoon een functie in de bedrijfsvoering van de politie wel leuk was geweest.”
Sinds 1974 is hij vakbondsbestuurder. Hoe lang hij precies voorzitter is van de ACP, weet hij niet. “Ik denk een jaar of vijf, zes, ik zou het moeten opzoeken.” Naast zijn werk slaagde hij in 1991, cum laude nog wel, voor zijn doctoraal examen theologie aan de in Amsterdam gevestigde, Katholieke theologische universiteit. “Door die studie is m'n houding veranderd en zijn m'n grenzen verlegd”, zegt hij. Maar een theoloog van beroep wordt hij niet.
“Er zijn al zoveel theologen en anderen die dat willen worden, dat ik er zelfs niet over heb nagedacht. Die studie was ingegeven door mijn nieuwsgierigheid. Naast een gevoel van opwinding over deze ontdekkingsreis heb ik van de theologielessen vooral geleerd hoe betrekkelijk dit aardse is.”
Dit laatste ondervond hij destijds dagelijks binnen zijn bond. Waar theologie en politiewerk gemeen hebben hoezeer 'normen en waarden' van belang zijn, werd in zijn werkkring vrijwel nooit naar zijn studie gevraagd. “Ik weet niet of dat overal zo zou zijn, maar ik heb die blijk van geringe belangstelling altijd in relatie gebracht met de heersende cultuur binnen de politie. Ik was en ben er niet boos over, maar de verbazing is gebleven. Als je tegenwoordig over het vakbondswerk praat, denk je aan collectieve en individuele belangenbehartiging. Dit terwijl vroeger ook 'solidariteit' werd gepredikt. Materialisme is nu helaas waan van de dag. Dat vind ik jammer.”
Toch is Kruizinga er vast van overtuigd, dat de begrippen 'normen en waarden' niet dood zijn. Integendeel, dankzij de tastbare kentering in de maatschappij komen zij helderder dan ooit aan de oppervlakte. De vakcentrales en de politie liggen onder vuur, worden gedwongen het pantser van zich af te schudden. “De vakbeweging is een beweging, maar dan wel een onbeweeglijke beweging”, schampert hij.
“Ik zie daar te weinig diepgang en onvoldoende flexibel vermogen. Bij de politie zie je dat ook. Maar als ik dit allemaal zeg, denk ik meteen: 'Ben ik nu ouderwets of juist heel modern'? Ik aarzel. Maar gevoed door gebeurtenissen als rond Meindert Tjoelker, korpschef Veenstra, jongeren die de politie aanvallen, noem maar op, denk ik dat nú het tij moet worden gekeerd. Mocht dat niet gebeuren, dan ontstaat een geweldig probleem in Nederland.”
Het is Kruizinga een doorn in het oog dat ogenschijnlijk nog maar heel weinig autoriteiten voor hun werk staan. De cultuur van afschuiven, pappen en nathouden, bij zowel het politie-apparaat als de vakorganisaties, schaadt de goede zaak in hevige mate. “Het klinkt wat tobberig, maar ik heb het idee dat veel dingen niet goed gaan. Of anders gezegd: dat er te weinig goede dingen gebeuren.”
“De binnenkant van het politiewerk is bijvoorbeeld heel belangrijk, maar toen wij een symposium hielden over 'normen en waarden' in ons vak, zag ik slechts twee hoofdbestuurders. De traditionele nieuwjaarstoespraken van de korpschefs dan, het is mij waarlijk een raadsel waarom dat telkens moet. Dan zijn daar dienbladen vol port, wijnen, jus d'orange, hapjes en luxe broodjes. Waarom? Moeten zó de laatste nieuwtjes aan de media worden doorgegeven? Politie-recepties zijn tot een cultuur verworden. Toen in Amsterdam onlangs de nieuwe korpschef Kuiper zijn entree maakte, stond Karin Bloemen daar schuine moppen te tappen voor het publiek. Daarmee is de politie niet gediend.”
De kloof tussen politie en vakorganisaties enerzijds en het publiek anderzijds, neemt groteske vormen aan, vindt Kruizinga. De taal die vele korpschefs spreken mag veelal glashelder zijn voor de leden van het management, publiek en dienders begrijpen er steeds minder van. Het heeft alles te maken met de 'verzakelijking' van het politiewerk, denkt hij. “Jaren geleden al werd om een meer bedrijfsmatige en zakelijke aanpak gevraagd. Nu gaat het niet meer om mensen maar om 'productiekrachten'. Begrippen als FTE's en BVE's, waar die ook voor staan, vormen de toon. Die ontwikkeling gaat nog voort, maar loopt tegen de grenzen aan. Ik hoor de roep om meer eenvoud. Het is gek dat mensen in een publieke functie dingen zeggen, die alleen een ingewijde begrijpt.”
Politiewerk is een mooi vak, zegt hij. Er wordt veel van de mensen gevraagd, collegialiteit thuis en op het werk is onontbeerlijk. Het is ook heel dankbaar werk. “Maar door de voortdurende problemen in de top daalt het aanzien van de politieman- en vrouw. De IRT-zaak was er één van list en bedrog. De affaire-Brinkman was een strijd om de macht. In de kwestie rond politiechef Lancée van Schiermonnikoog zagen we justitie een geheel eigen richting inslaan, zodat mensen voorgoed werden beschadigd. De rode draad in deze zaken is dat het publiek voelt en vindt dat grenzen zijn overschreden.”
De politiecultuur is een 'consensus'-cultuur. “Een goede relatie in de korpsgeest is noodzakelijk. Er wordt binnen de politie veel vergaderd en voor sommigen heeft dat een negatieve klank. Maar het is niet alleen cultuur, maar ook structuur. In de politiewet wordt het beheer en gezag bij de driehoek van burgemeester, hoofdofficier van justitie en korpschef geregeld. Als dat niet goed loopt, ontstaat een probleem, wijst de praktijk uit.”
“Ja, conflictbegeleiding, daar wordt ook in voorzien. Maar in een smalle maatschappij is dat mosterd na de maaltijd. De vraag 'wie is de baas bij de politie?' interesseert de burger niet. Het beheer hoeft niet bij burgemeesters te liggen. Maar je moet wél regelen wie op de stoel van de macht gaat zitten. Haal, als dat niet duidelijk is geregeld, de boel overhoop, maar weiger om voor halfslachtige oplossingen te kiezen.”
Kruizinga kijkt verrast op wanneer hem wordt verteld dat burgemeester Peper van Rotterdam, tevens korpsbeheerder, al jaren geleden voor de huidige politiewet waarschuwde. “Ik denk dat zijn waarschuwing te vroeg kwam en daarom niet is opgepikt. Maar ik heb nooit gezegd dat Peper niet verstandig is. Hij had alleen hoogleraar moeten blijven.”
Hij erkent dat hij de loop der jaren cynischer is geworden en dat een déjà vu-gevoel hem bekruipt. “Ik vertrek met gemengde gevoelens. Veel van datgene dat in mijn hart ligt, heb ik in mijn werk gestoken. Toch, als iemand heel lang in een vooraanstaande positie verkeert, is het niet goed om lang op die post te blijven. Ik ben een Drent die zegt 'Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg'. De publiciteit zal ik niet missen, hoe medebepalend dat element in onze cultuur ook is.”
Met een twinkeling in de ogen: “Ik weet trouwens zeker dat de positie van visueel gehandicapten onderbelicht is en in de toekomst veel meer aandacht behoeft.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.