Tot en met 25 januari in theater Bellevue, Amsterdam, daarna tournee.
Zodra de kaarsen zijn uitgeblazen vaardigt moeder op bezwerende toon de regels uit die de komende acht jaar in 'Het Huis van Bernarda Alba' (Frederico García Lorca, in 1936 geschreven, gevoelig vertaald door Hugo Claus) zullen gelden: rouw, zwarte rouw. Haar dochters kunnen in de tussentijd werken aan hun linnenuitzet, in afwachting van de mannen die ooit hun hand zullen vragen.
Vrolijk worden ze er niet van, de dochters: 'De zomer gaat voorbij en komt terug'. Hun eigen plannen en hun zelfstandigheid zien ze danig doorkruist. Drie van de vijf hebben een oogje op Pepe el Romano, de mooiste man van het dorp. Martirio, die het meest naar haar moeder aardt, is heimelijk verliefd; Adela, de jongste komt steeds openlijker voor haar gevoelens uit, maar Pepe is volgens traditie voorbestemd voor Angustias, de oudste dochter. Intussen heeft Pepe de keus van zijn hart al gemaakt. 's Avonds praat hij aan het open raam van Angustias en hij schenkt haar een ring met drie parels, die, zoals de volksmond zegt, staan voor drie tranen. 's Nachts onderhoudt hij zich aan een ander raam met Adela. Dat kan nooit lang goed gaan.
Lidwien Roothaan heeft 'Bernarda Alba', de eerste productie van Het Groene Balkon, op de van haar bekende, zorgvuldige wijze geregisseerd. In het verlengde van Lorca's tekst bracht ze een trefzekere stilering en typering aan, in een evenzeer treffend decor dat uit niet meer bestaat dan een natuurstenen vloer, een blankhouten tafel en dito stoelen. De speelsters zitten vrijwel de hele voorstelling niet zelden met armen en benen over elkaar: wat er in hen omgaat houden ze het liefst voor zichzelf. Mede door die zittende houding komen de nuances van kleine lichaamsveranderingen, de stand van het hoofd, de schouders iets meer of minder opgetrokken, en van stembuigingen. Het resultaat is een rustige, slechts op enkele momenten te rustige voorstelling. Vaker heerst er de gespannen rust waarin niemand iets zegt maar des te meer denkt.
In het hechte ensemble is, als vaker, de aanwezigheid van Luutgard Willems (Martirio) bijna voelbaar. Juul Vrijdag als de ervaren en levenswijze bediende Poncia is een genoegen om naar te kijken. Omdat zij geen familiale banden heeft fungeert Poncia als vertrouwelinge van moeder en dochters. Niet dat het veel helpt, maar niemand kan zeggen dat zij niet gewaarschuwd heeft. Marlies Heuer overtuigt als Bernarda Alba. Zij, die alles weet maar niets wil weten, die alles ziet maar niets wil zien, heeft vanaf de dag van de begrafenis de greep op haar dochters verloren. Haar op licht wanhopige toon uitgesproken orders, begeleid door bezwerende handgebaren, moeten vooral haarzelf geruststellen. Als Adela zich aan het eind verhangen heeft, verbiedt Bernarda haar dochters te huilen. 'Geen tranen'. Desondanks klinkt er een enkele, niet gewilde snik. Van Bernarda.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.