“Ik moet u eerlijk bekennen dat ik bij het lezen van uw 'open brief aan God' een ogenblik dacht te doen te hebben met een ver doorgevoerde Poeriemgrap. Het is een oud joods gebruik om bij het naderen van het feest waarbij de omkering van elke werkelijkheid, de overwinning op de aartsvijand Haman wordt gevierd, stukken te schrijven die op het eerste gezicht volstrekt waar zijn, maar bij nader inzien satirisch blijken. Ik meende de hand van Gerrit Komrij te herkennen, die zoals hij eerder in de huid van drie debaters over het wel of niet bestaan van God was gekropen, zich nu uw gedaante en gedachten had aangemeten.
Ik heb deze gedachte echter laten varen. Ten eerste omdat de trend om binnen christelijke kring joodse gebruiken te volgen, een loofhut buiten de kerk met Soekot, een paasmaaltijd met ongezuurde broden, een chanoekia in het kozijn van gebedsruimtes ten spijt, het toch wat ver gezocht leek dat Trouw zich een Poeriemgrap zou permitteren. En vervolgens zijn de gedeelten waarin u zich tot God richt, over uzelf en niet over anderen, met de uiterste intensiteit van de gelovige, zo authentiek, zo ontroerend in eenvoud en devotie, dat elke twijfel werd weggenomen. Hoe kon ik, geconfronteerd met deze ontboezemingen, aan de authenticiteit twijfelen?, zult u mij verbijsterd vragen. Heel eenvoudig hierom: Met u, ben ik ervan overtuigd dat God, de Schepper van hemel en aarde, van het gras en de quarts, de zonnestelsels en de zwarte gaten, zich ook en zelfs het meest bekommert om ieder van ons; het is de Altijd-aanwezige, die elke mijmering van ons hart doorschouwt.
Maar dat betekent niet, naar mijn bescheiden mening, dat wij Hem lastig dienen te vallen met de meest prozaïsche bespiegelingen over de boekenweek in een provincie van de wereld, met gedetailleerde uiteenzettingen over de gedachtenspinsels van schrijvers die zich bedienen van een taal die door een minuscuul deel van de mensheid wordt gebezigd. En waar gaat het over, een storm in een glas water, een ruzietje om niets, een tijdverdrijf om meer boeken aan de man te brengen. Met deze brief doet u afbreuk aan het mysterie, vervallen gebeden tot clichés, raken begrippen als waarheid, schoonheid, kunst, versleten.
Het geheel verbijstert mij. Is in deze brief niet veel meer blasfemie dan in de boeken van Dorrestein en Komrij? Uiteindelijk vond ik houvast in uw verzuchting: “Behoedt Gij evenwel mijn hart dat zoekt naar uw zuivering. En ik ben naar eigen inzicht wel stellig van zekerheid maar met een idee van humor.”
Wat humor betreft ben ik het geheel met u eens. God heeft gelukkig humor. Het is een verademing wanneer even, zoals bij het boekenbal, de calvinistische sluier over Nederland wordt opgetrokken. Maar wat mij blijft verbazen is, dat uw humor een melige cocktail is van plaagstoten onder de intellectuele gordel, een literair twistgesprek met een aantal hedendaagse schrijvers, en een intieme dialoog met God over de essentie van uw geloof. Dat is toch de volstrekte vermenging van ongelijke grootheden. En wat ik nog minder begrijp is dat u in het strijdperk treedt om God tegen de minste vorm van ironie te verdedigen, God de Altijdzijnde buldert van het lachen om zijn schepselen, die zich zo snel en gemakkelijk in Zijn naam beledigd voelen. En het gebrek aan gevoel voor humor, het niet bereid zijn tot enige vorm van relativering heeft in andere tijden, die niet eens zo ver achter ons liggen, geleid tot inquisitie en brandstapels.
Burgeroorlogen die gevoed worden door religieuze twisten, het niet in staat zijn om te leven en te laten leven, verzieken nog steeds de samenleving één uur vliegen hier vandaan. Paul Cliteur heeft u onlangs kandidaat gesteld voor het pausschap. Ik houd mijn hart vast. Wat zou er onder uw herderlijk bestuur gebeuren met het boek van Renate? Zou het op de lijst van verboden boeken zijn geplaatst? En wat zou met Dorrestein zelf zijn gebeurd?
In de jaren zestig werd met grote felheid geprotesteerd tegen de wijze waarop een satirisch programma de aanbidding van de televisie vergeleek met de aanbidding van God. Ik heb daar nog dierbare herinneringen aan. Mijn vader kwam, uren na de uitzending, die hij elders had gezien, briesend thuis. Dit was heiligschennis, een middellijk krenken van de gelovige ziel. Tot in de ochtend hebben wij met elkaar gediscussieerd. Ik pleitte voor een ruimer inzicht, voor het aanvaarden van de stijlfiguur van ironie. Het was de grootheid van mijn vader, dat hij bereid was de argumenten ten diepste te overwegen. Hij was de volgende dag de enige geestelijke leider, die begrip en zelfs respect opbracht voor de uitzending. Het lijkt mij dat u vandaag nog de Vara zou gelasten het programma te schrappen op straffe van een proces wegens smaad.
U schrijft ontroerend over onze ontmoeting. Niet alleen heeft u de imam en mij de hand geschud maar u heeft met ons gesproken in diepe verbondenheid. Ik vraag mij af, waarom heeft u niet de hand van Renate Dorrestein geschud? Het gesprek met haar had u zoveel inzicht verschaft. U beticht haar van een misselijk goedkoop gedoe. Wat een miskenning, wat een bekrompenheid, wat een lichtgeraaktheid.
Nu geef ik toe, dat ik bij mijzelf een overgevoeligheid bemerk, wanneer ik de indruk heb dat het joodse erfgoed maar in het minst wordt aangetast, zeker wanneer die bejegening van christelijke kant komt. Zo was ik met mijn collega David Lilienthal geraakt door de wijze waarop Nico ter Linden christelijke wortels in de Tora leek te hebben geplant. Wij hebben lange tenen, maar mogen wij na duizenden jaren van anti-judaïsme? U vertegenwoordigt een geloofsrichting van meer dan een miljard volgelingen, waarvan de aanhangers zich in het verleden op grote schaal schuldig gemaakt hebben aan grof triomfantalisme en zich met gevaarlijk gemak Gods toorn hebben aangemeten over ieder die anders dacht en anders leefde. Wat meer bescheidenheid en ingetogenheid is toch wel geboden.
Uw herhaald beroep op stelligheid, en zekerheid van uw geloven, doet mij bekrompen aan. Overigens vind ik, dat Nico ter Linden die toon en uw arrogante 'wegschrijving' niet heeft verdiend. Het is een in het algemeen goed geschreven, aansprekend boek, dat mensen dichter bij het oorspronkelijke werk brengt. En dat is lovenswaardig. Is hier sprake van goedkope 'jalousie de métier' voor een bestseller-schrijver? Dat lijkt me beneden uw waardigheid.
Terug naar Renate. Ik heb het boek in één adem uitgelezen, zonder een ogenblik spijt. Het is een bewonderenswaardige poging om ons een spiegel voor te houden van de moderne verafgoding van het lichaam, de gezondheid, het oppervlakkige, de hype, de computer. Met een enkele penseelstreek weet zij mensen van vlees en bloed te schetsen voor wie wij als lezer ontroering kunnen voelen. Over smaak valt niet te twisten en ook niet over smaak voor boeken. Wat stoort is dat u op grond van haar eigen legitieme gebruik van de symboliek van de consecratie, haar integriteit in twijfel trekt. Verder ben ik van mening dat de wijze waarop u zich opwindt bewijst dat Komrij - 'Heer, Gij kent hem, hij kent U niet', wat weet u hiervan, welke hovaardij - in zijn opzet wonderwel is geslaagd. De onevenwichtigheid van het driegesprek - vorige week zat ik met een collega van u in een prieeltje in een kerk in Tiel, vrucht van Komrij's verbeeldingskunst - is juist bedoeld om ons uit te dagen het gesprek voort te zetten. Moet ik u dit nog uitleggen? En wat betreft de benepenheid en het veelal 'stilvallen' van de gelovige. Hebben wij gelovigen dit niet aan onszelf verdiend? Hebben wij niet veel te lang van de stellige toren geblazen? En wordt niet dagelijks in Servië, Albanië en zoveel andere oorden, de haat geoogst van bittere godsdiensttwisten?
Wanneer Boksvoet bij Komrij spreekt over de islam bedient hij zich van abjecte vooroordelen - fundamentalistisch, reactionair, agressief. Dit dient met alle kracht weersproken te worden. U leest er overheen, een slecht teken van religieus solipsisme, een totale gerichtheid op het eigen geloof. Ja, zult u tegenwerpen, ik heb toch over ons drieën, de rabbijn, de imam en de priester gesproken als broeders die de God van de aartsvaders belijden. Zeker, en u vertelt God “Uw hemelse huis is toegankelijk en ruim. Allen die U zoeken op hun eigen wijze en in hun eigen traditie worden Uw straling van waarheid gewaar”. Welk een paternalisme, arrogante tolerantie, verborgen in mooie taal. Wees toch manmoedig en spreek u uit voor een moratorium op actieve zending, de volstrekte aanname dat meerdere wegen naar de waarheid voeren. Maar daar zullen we een wereldlang op moeten wachten, vrees ik.
In mijn aanhef spreek ik u aan als 'de priester'. Om misverstanden te voorkomen, ik bedoel het ironisch. Wanneer u ons aanspreekt als de rabbijn en de imam, dan had u ook uw brief moeten ondertekenen, niet met uw eigen naam, maar met dezelfde betiteling, de priester. Zijn wij, in tegenstelling tot u, slechts symbolen, geen mensen van vlees en bloed. De fout ligt in deze niet alleen bij u, maar ook bij de CPNB, de organisator van de boekenweek. Zij hebben ons uitgenodigd om op een poster te fungeren als vertegenwoordigers van onze diverse godsdiensten. Wij staan er als gemankeerde acteurs, als de rabbijn, de priester en de imam met de door anderen voor ons gekozen boeken in de hand. We deden hetvoor een goed doel, maar toch. Wij hebben ons laten manipuleren, u ook, en het doet laf aan, als u zich zo vroom distantieert.
Wij hebben niemand anders te verwijten dan onszelf. Voor mij geldt hier ook mea maximma culpa. Wij hebben meegewerkt of in uw woorden, gecollaboreerd aan een op het eerste gezicht, oppervlakkige hype. Wij kunnen het weer goedmaken door uit de poster te treden, uit de fronsende pose en met elkaar een gesprek in alle openhartigheid aan te gaan, in een prieel, moskee, synagoge of kerk. Het is aan de CPNB om dit samenkomen te organiseren, op korte termijn. Maar tenslotte één ding. Laat als directe gesprekspartner in hemelsnaam God er buiten.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.