*

 
dossier

Archief

Paars was allesbehalve een breuk

HANS GOSLINGA − 04/04/98, 00:00

Hans van Mierlo trok vijf jaar geleden een scherpe scheidslijn door het politieke krachtenveld in Nederland. Aan de ene kant van die lijn zag hij een progressief blok bestaande uit PvdA, VVD en D66, aan de andere kant een conservatief blok waarin zich alleen het CDA ophield. Helaas gaf hij toen niet aan op welke inhoudelijke gronden hij deze tweedeling baseerde. De kiezer moest het doen met zijn belofte dat een paarse coalitie alleen al een grondige vernieuwing van de Nederlandse politiek zou betekenen. Vermoedelijk voelde Van Mierlo wel aan dat dat een regering zonder het CDA inhoudelijk weinig zou veranderen.

Het continuüm in de Nederlandse politiek is de afgelopen jaren zo sterk gebleken, dat zelfs het randschrift God zij met Ons op de gulden de heidenen heeft overleefd. Sterker nog, de liberale minister Zalm van financiën heeft er krachtig voor geijverd dat deze 'publieke erkenning van het bestaan van God', zoals de humanisten het tandenknarsend betitelen, op de euro wordt gehandhaafd. Zet dat eens af tegen het feit dat in de jaren zeventig en tachtig nog een politiek driemanschap in de PvdA optrad, dat zich niet alleen beijverde voor het afschaffen van dat randschrift, maar God volledig uit het publieke domein wilde bannen. Nederland was geen christelijk land meer en de overheid behoorde daaruit de consequenties te trekken, wilde zij geen aanstoot geven aan mensen met een andere wereld- of levensbeschouwing. Het driemanschap, bestaande uit de PvdA-Kamerleden Roethof, Stoffelen en Van Ooijen, wilde dus ook korte metten maken met de bede in de troonrede, het ambtsgebed in raads- en statenvergaderingen en de slotregel van de koninklijke boodschappen 'En hiermee bevelen Wij U in Godes heilige bescherming'. Nu was het gefulmineer van deze overigens zeer ingetogen politici niet ingegeven door antichristelijke motieven. Ze gaven dat aan met hun antecedenten. Naast de humanist Roethof stond Stoffelen als meelevend hervormde en Van Ooijen als katholiek en ook nog priester.

In het stille verlangen naar een paarse regering speelden antiklerikale en antikerkelijke sentimenten echter wel degelijk mee, al dan niet verbonden met frustraties over de doorlopende aanwezigheid van de christen-democraten in het machtscentrum. Het paarse regeerakkoord dat de jongeren van PvdA, VVD en D66 aan het begin van de jaren negentig presenteerden, gaf daar onbekommerd blijk van. Onder het motto 'wij gaan de wereld veranderen' pleitten zij voor het opdoeken van het randschrift en de zondagswet (de ochtend voor de christenen, de midddag voor de heidenen), volledige liberalisering van abortus, euthanasie en ideëel draagmoederschap en sluiting van de ambassade in Vaticaanstad. De ironie is dat het paarse kabinet juist om al deze punten met een grote boog is heengelopen, beducht als het was op de tenen van christelijk Nederland te staan.

Omgekeerd geldt hetzelfde. D66-lijstaanvoerster Borst suggereerde het afgelopen weekeinde, net als Van Mierlo vijf jaar geleden, een diepe tegenstelling tussen paars en het CDA. Die zou zich vooral openbaren in de botsende meningen over de verruiming van de winkeltijden en de euthanasie. Het CDA heeft inderdaad krachtig geopponeerd tegen de winkeltijdenwet van minister Wijers van economische zaken, vooral tegen het winkelen op zondag, maar het heeft in de jaren tachtig zelf de deur van het slot gehaald door een beperkt aantal koopzondagen toe te staan en toeristische plaatsen volledig ontheffing te verlenen.

De wettelijke regelingen voor abortus, euthanasie, gelijke behandeling en tv-reclame op zondag kwamen stuk voor stuk tot stand onder kabinetten met het CDA. De partij werkte daaraan mee onder het argument dat zij er op die manier ten minste nog invloed op kon uitoefenen. Zou Van Mierlo, die enkele jaren geleden samen met Borst onze euthanasieregeling aan de paus uitlegde, in het Vaticaan hebben verteld dat het CDA een conservatieve partij is, dan was hij smakelijk uitgelachen. Nederland staat in Europa en de wereld, en zeker in de omgeving van de Heilige Stoel, al decennialang bekend als een zeer liberaal land.

Voorzover het progressieve blok van Van Mierlo (die de term progressief in de kabinetsformatie van 1994 meteen besmet verklaarde om de draai van de VVD naar paars te vergemakkelijken) zich van het CDA wilde onderscheiden door het primaat van de politiek te herstellen en daarmee een eind te maken aan het harmonie- of overlegmodel, heeft dat streven niet lang standgehouden. Uit paars oogpunt was het natuurlijk aantrekkelijk tegen dit model, dat zo sterk is verbonden met christen-democraten van naam en faam als Zijlstra, De Pous en Albeda, aan te schoppen. Maar toen het lang volgehouden beleid van loonmatiging en sanering van overheidsfinanciën zijn vruchten begon af te werpen, slikten de paarse partijen hun kritiek op het model schielijk in. In plaats van synoniem voor stroperigheid in de besluitvorming, heette de overlegcultuur onder de naam 'poldermodel' ineens het geheim van het buiten onze grenzen bezongen Miracle hollandais.

De Sociaal-economische Raad heeft onder leiding van het vroegere PvdA-Kamerlid Klaas de Vries zijn positie in het bestel heroverd. Het beste bewijs daarvoor, buiten de adviezen, is dat VVD-leider Bolkestein, in de afgelopen jaren de scherpste criticus van de raad, De Vries onlangs naar voren schoof als kandidaat voor het premierschap, mocht Wim Kok afhaken. Over alle voorstellen die de liberalen vier jaar terug deden om de invloed van de sociale partners terug te dringen, hoor je Bolkestein niet meer.

De scheidslijn die Van Mierlo destijds trok heeft zich, anders gezegd, niet scherp afgetekend. Veel opvallender dan de breuk in de coalitievorming was in de paarse jaren de kracht van het continuüm. Als dat tot de conclusie noopt dat de Nederlandse politiek saai is, is dat vervelend voor de romantici onder ons, maar het is niet anders. De politicoloog Hans Daalder zei vier jaar terug in deze krant dat het grote verschil tussen coalitieland Nederland en landen met een twee-partijenstelsel is, dat daar kleine verschuivingen onder het electoraat grote gevolgen kunnen hebben, terwijl hier grote verschuivingen kleine gevolgen hebben.

De uitslag van de vorige Kamerverkiezingen was de meest spectaculaire sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917. Die uitslag leidde tot een kabinet, waarvan de samenstelling ook spectaculair mocht worden genoemd. Maar voor het beleid geldt precies het tegenovergestelde. Deze paradox leert dat de blokkade die D66 heeft opgeworpen voor samenwerking met het CDA inhoudelijk nergens op slaat.

mailIcon print |