*

 
dossier

Archief

Geen vooruitgang, maar sentimentaliteit

WILLEM BREEDVELD − 31/01/97, 00:00

Het is waar, we staan tegenwoordig op de barricaden als onze kroonprins het waagt de (of misschien wel 'zijn') kroondomeinen te benutten voor het organiseren van een jachtpartij. Zo goed als kistkalveren die in gesloten vrachtwagens onbarmhartig op transport worden gesteld, inmiddels onvoorwaardelijk mogen rekenen op ons erbarmen en we zelfs geneigd zijn instemmend te knikken als de Hoge Raad een banvloek uitspreekt over het aanlijnen van aasvisjes.

Maar om deze uitingen nu meteen maar aan te prijzen als 'morele vooruitgang', zoals de Volkskrant onlangs in haar commentaar deed? Of om met het D66-Kamerlid Bob van den Bos van de daken te roepen dat het hier gaat om een “verworvenheid die we moeten koesteren” en die we in de vorm van een “klassiek grondrecht” voor het dier zo gauw mogelijk in de Grondwet moeten verankeren? Dat lijkt me weer het andere uiterste. Het is ongetwijfeld sympathiek, maar de dierenliefhebbers moeten het me maar niet kwalijk nemen dat hun liefhebberij me met scepsis vervult.

Voor alle duidelijk, die scepsis staat los van allerlei kritische tegenwerpingen die zich bij zo'n onderwerp al gauw aandienen. Zo ontgaat het me bijvoorbeeld dat je aasvisjes wèl wreed een haak door de bek mag slaan, maar ze niet mag aanlijnen. Evenmin heeft een dierenliefhebber mij ooit kunnen uitleggen waarom het diervriendelijker is een overbevolking aan herten te rederesseren langs de weg van een langdurig en martelend creperen, dan deze toch al tot de ondergang gedoemde dieren met enkele welgerichte schoten uit hun lijden te verlossen. De hoogste wijsheid in deze discussie schijnt te zijn dat jagers 'plezier' beleven aan het doden en dat mag onder geen beding.

Mijn scepsis wordt gevoed door het gemak waarmee van 'morele vooruitgang', ja, zelfs van een 'verworvenheid' wordt gesproken. Niet zo lang geleden nam de voorzitter van het Humanistisch verbond, Paul Cliteur, in het debat over de moraal een soortgelijk standpunt in. Mensen die zich voor de fundering van de moraal beroepen op 'iets' buiten de mens, op God bijvoorbeeld, hield hij voor: dat hoeft helemaal niet en misschien kun je het zelfs vooruitgang noemen dat de moderne mens dat niet meer doet. Als voorbeeld van vooruitgang noemde hij de herwaardering van het dier als (en zo wil Van den Bos het ook als grondrecht omschrijven) een wezen met een eigen waarde; een waarde dus die los staat van de mens.

Dat zal wel. Maar de hamvraag is natuurlijk: wie bepaalt die waarde en dan kom je toch weer bij de mens uit, inclusief de veronderstelling van de Volkskrant, Van den Bos en Cliteur, dat de mensheid bij het vaststellen van die waarde er in moreel opzicht op vooruit is gegaan. Nou, daar geloof ik dus niets van. Ik ben eerder geneigd de stelling om te draaien: dankzij de 'vooruitgang' hebben we het dier nog nooit zoveel leed berokkend. Vroeger werden er niet meer dieren gedood dan men nodig had voor de overleving van de eigen soort. Pas toen men op de golven van de Westerse vooruitgang 'overleving' aanzienlijk ruimer en vooral ook comfortabeler is gaan definiƫren, legden de dieren massaal het loodje.

Terecht bekommert het D66-Kamerlid Van den Bos zich over de rampzalige transporten van kistkalveren. Terecht ook gaat hij tekeer tegen althans sommige uitwassen van de 'plezierjacht' en stelt hij kritische vragen bij de noodzaak van sommige dierproeven of het gemanipuleer met hun genen. Maar om zo'n geestesgesteldheid een morele vooruitgang te noemen steekt wel erg schamel af bij de verwoestende werking van onze roofcultuur op het welzijn van het dier.

Van den Bos accepteert wel de vleesconsumptie (ook die van kalveren), legt de 24-uurs economie geen strobreed in de weg, maar hij beschouwt zich toch vanwege dat ene schouderklopje als een beter mens. Dat noem ik geen morele vooruitgang, dat is gewoon sentimentaliteit.

mailIcon print |