Gehaat, gevreesd, bewonderd. Jack Spijkerman staat bekend als iemand die graag mensen onderuit haalt. Met scherpe woorden weet hij zijn slachtoffers precies op hun zwakke plekken te raken. Maar Spijkerman heeft meer kanten. In zijn televisieprogramma 'Spijkers' práát hij met zijn gasten. Een 'human interest'-gesprek, noemt hij dat. Het beeld van de rappe cabaretier die iedereen persoonlijk pakt en dat van de snelle radiomaker die onschuldige burgers aanvalt, wil hij kwijtraken.
Spijkerman heeft zich altijd intensief bezig gehouden met misstanden in de wereld. Hij wilde dienstweigeren, maar omdat zijn broers al in dienst waren geweest, was dat niet eens nodig. De procedure om toch als gewetensbezwaarde erkend te worden duurde ruim tien jaar. Hij liet zich door de ME uit een boom bij het Utrechtse Amelisweerd zagen toen hij protesteerde tegen de aanleg van een snelweg. En ook was hij als 'aktievoerder' bij de kerncentrales in Borsele en Dodewaard.
Toch had hij lange tijd een heel keurige baan. Zo werkte hij na zijn onderwijzersopleiding in het christelijk basisonderwijs en vervolgens als leraar Nederlands en Handvaardigheid op een mavo. Pas op vijfendertigjarige leeftijd besloot hij dat het tijd was voor een radicale ommezwaai. Hij gaf zijn baan eraan en werd cabaretier. Met de groep 'Dubbel en Dwars' oogste hij twaalf jaar lang succes. Eindelijk weer eens ouderwets degelijk cabaret, zo lekker authentiek maatschappijkritisch, verzuchtten de critici. Later wilde hij op het podium 'meer van zichzelf laten zien'. Via een radioprogramma in de nacht kwam Spijkerman in Hilversum terecht. Daar werd hij beroemd en berucht met zijn 'Steen en Beenshow'.
Na zijn de 'Nachtshow' in 1987 maakte hij het afgelopen seizoen twee grotere eigen televisieprogramma's: eerst 'Spijkertijd', vervolgens 'Spijkers'. Maar ook op televisie ontwikkelde hij de behoefte niet alleen maar mensen af te kraken. Zijn nieuwste programma's zijn vriendelijke praatshows, waarin elke gast in zo'n zeven minuten met Spijkerman kan babbelen. Het agressieve bellen van de Steen en Beenshow doet hij niet meer.
“Dat bellen is op een gegeven moment blijkbaar zo verschrikkelijk populair geworden. Dat bellen met allerlei onzinverhalen. Ik doe dat al vier jaar niet meer, maar dat komt alsmaar terug. Mensen zijn er huiverig voor.”
“Politici vonden het eerst doodeng om in Spijkers te komen. Die dachten: 'die Spijkerman neemt je in de maling'. Maar de politici die tot nu toe geweest zijn, weten dat dat niet zo is. Ze merken dat ze met mij een leuk gesprek kunnen voeren, dat helemaal niet ten nadele van hen is. Als een paar eenmaal geweest zijn en me kennen, dan komen ze verder allemaal wel.
“Ik ben redelijk rap van tong en ik kan snel een grap bedenken, maar de laatste tijd zeik ik mensen niet meer echt af. En als ze coöperatief zijn, zullen ze er altijd beter uit komen.”
“Ik kwets ook nooit zomaar iemand. Ik heb geen enkele reden om zomaar iets beledigends over de paus te zeggen. Maar als de paus weer eens met een geschrift komt waarin hij homofilie veroordeelt of waarin abortus moord is, dan vind ik dat hìj begint. Dat geldt ook voor politici die uitspraken doen. Als Bolkestein weer eens borrelpraat over asielzoekers verspreidt, dan mag ik, als cabaretier, heel fel daarop reageren. Ik vind dat wat hij zegt namelijk ook heel beledigend. Maar ik zal nooit zomaar een willekeurig iemand gaan beledigen.”
“Mensen doen ook vaak zo moeilijk. Zo van 'Ja, maar dat is toch kwetsend'. Dan denk ik: 'je gaat er niet dood aan, hoor'. Ik heb de meest vreselijke dingen over mij in de kranten gelezen. Over mijn uiterlijk bijvoorbeeld.”
“Toen ik vijftien was, zag ik er uit als iemand van elf. Ik was klein en mager. En ik was natuurlijk niet de mooiste van de klas, dat wist ik ook wel. Ik moest terugmeppen. Met mijn vuisten kon ik me niet redden. Daardoor heb ik mijn sarcasme ontwikkeld.”
“Discussiëren, diep over dingen nadenken heb ik bij de kerk geleerd. Mijn ouders zijn gereformeerd en toen ik jong was, ging ik ieder zondag twee keer met ze mee naar de kerk. Ik heb dat nooit erg gevonden. Maar ik was wel eigenwijs, wilde dingen zeggen, wilde actief worden. Letterlijk met mensen van de kerk op een sluisdeur gaan zitten om te voorkomen dat kernafval naar zee wordt gevoerd. Mensen die het christendom in praktijk brachten, dat miste ik in de gereformeerde kerk.”
“Ik heb nu niets meer met geloof. Ik denk dat mijn ouders dat heel moeilijk vinden en dat snap ik ook wel. Het is moeilijk te accepteren dat je zoon iets anders kiest, terwijl jij denkt dat het geloof de goede weg is. Maar ik kan niet leven met dat eeuwige schulgevoel van die gereformeerden. Je bent altijd schuldig, terwijl ik er niet eens bij was toen Christus werd gekruisigd.”
“Ik zit nu in een ideale situatie: ik heb twee radioprogramma's en twee televisieprogramma's. Ik kan me wel uiten. Dat wil niet zeggen dat ik al die ruimte maar gebruik om al mijn persoonlijk dingen maar kwijt te kunnen. Maar als ik het nodig vind om iets te zeggen, doe ik dat. Uiteindelijk ben en blijf ik cabaretier. Zo ben ik ook aangenomen door de Vara.”
“Ik werd altijd vergeleken met Freek de Jonge. Ik lijk nou eenmaal op die man. Dezelfde motoriek ook. In het begin was ik er wel trots op. Je kan met slechtere vergeleken worden. Stel je voor dat ze zouden zeggen: 'eindelijk een tweede Jos Brink' dan was ik me kapot geschrokken. Maar nu denk ik: 'ja, dat met Freek hebben we nou wel gehad'.”
“Van concurrentie is bij de Vara geen sprake. Natuurlijk komen er wel steeds meer programma's. Maar we zijn ook weer heel verschillend allemaal. De enige overeenkomst tussen Paul de Leeuw en mij is dat we allebei cabaretiers zijn. Verder is hij voor zeventig procent performer en voor dertig procent presentator. Bij mij is dat precies andersom.”
“We hebben het er in het begin wel over gehad of Paul en ik nou wel allebei op zaterdagavond bij de Vara moesten. Twee cabaretiers op één avond, is dat niet wat veel. Toen zou Paul naar Veronica gaan. Daar hebben we het samen nog over gehad zo van 'nou, oké'. Maar toen belde hij me een keer 's nachts op. Dat hij toch bij de Vara bleef. Toen heb ik overwogen om weg te gaan. Ik heb nog gesprekken gehad met Veronica, maar uiteindelijk toch voor de Vara gekozen. Het maakt me niet uit op welk tijdstip ik dan te zien ben. Maar ik wil wel de vrijheid hebben om de programma's te ontwikkelen die ik wil. Op het moment dat ze zeggen: 'jij mag alleen 'Spijkers' nog presenteren', ga ik natuurlijk rot doen.”
“Ik blijf televisie een moeilijk medium vinden. Mensen zijn geïmponeerd door zo'n camera. Ik merk dat wanneer ik dit vergelijk met de discussies voor de radio. Dan heb je alleen een microfoon voor je. Na een tijdje heb je daar amper erg meer in. Maar bij televisie staat er zo'n groot camera-oog voor je. Mensen worden daar veel terughoudender van. Ik moet nog een manier vinden om mijn gasten hetzelfde gevoel te geven als bij de radio.”
“Het Hilversumse wereldje bestaat niet meer sinds de komst van RTL. En dat Aalsmeerse wereldje... het zijn ineens allemaal sterren. En dan denk ik 'wat heb je nou helemaal gepresteerd'. Neem nou zo'n Hans van der Togt. Die doet al vijf jaar het 'Rad van Fortuin'. Dat is een Amerikaans format en hij hoeft verder niets te doen dan te zeggen 'tweehonderd gulden, welke letter, vierhonderd gulden, welke letter'. En op grond daarvan is hij een Ster. Nee. Ik ben alleen geïnteresseerd in mensen die iets eigens hebben op tv. ”
“Ik voel mij nog steeds heel jong, ik heb me altijd jonger gevoeld dan ik was. Letterlijk, fysiek, maar ook in mijn doen en laten. Ik ben nu 47. Ik ben een beetje serieus geworden, maar aan de andere kant wil ik ook dat speelse nog houden, dat beetje kind. En langzaam word ik volwassen. Ik heb nu een heel jonge vriendin. Zij heeft allemaal jonge vrienden en vriendinnen die vaak nog studeren. Gewoon lekker 's avonds in de kroeg hangen en lachen en in het Vondelpark zitten. Daar geniet ik van. En als ik dan mensen van 46 hoor zeggen 'nog een jaar of zes en dan kan ik in de vut', dan weet ik niet wat ik hoor. Dat is toch belachelijk.”
“Ik denk nooit van 'dit is mijn eindpunt'. Ik wil nog vader worden. Op tv wil ik over een paar jaar ook wel wat anders gaan doen. En sowieso blijf je niet je hele leven op het scherm, je werkt je een versuffing. Ik wil nog andere dingen doen. Het enige waar ik bang voor ben is mijn gedrevenheid te verliezen. Als je niets meer hebt om naar te streven, niet meer kunt lachen, geen idealen meer hebt, houdt het op. Dan leef je niet meer.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.