Het woord sabbat. In het Hebreeuws verbonden met de betekenissen: ophouden (onder andere van werken), onderbreken, een einde maken, verdwijnen laten, loslaten en dan verder rusten en vieren.
Honderden malen in de bijbel verwoord. In het Grieks in de vertaling van het zogenaamde Oude Testament (de septuagint) en de tekst van het zogenaamde Nieuwe Testament, wordt het woord sabbat niet vertaald. Het blijft staan in het Hebreeuws als een onvertaalbaar trefwoord vol mysterie.
Om in het Griekse taalveld het woord sabbat proberen te omschrijven werd 'pau-oo' gebruikt (ophouden). Dan zijn we dus bij onze pauze. De Heidelberger Catechismus. Een reformatorisch leerboek uit 1562. Nu (nog) een van de zogenaamde 'belijdenisgeschriften' van de hervormde en de geref. kerken in Nederland. Daarin worden uitvoerig de tien geboden besproken. In de onderafdeling 'over de dankbaarheid': “Zondag XXXVIII.
“Wat gebiedt God in het vierde gebod?
Eerstelijk, dat de kerkedienst of het predikambt en de scholen onderhouden worden en dat ik, inzonderheid op den Sabbath, dat is op den rustdag, tot de gemeente Gods naarstiglijk kome om Gods Woord te hooren, de Sacramenten te gebruiken, God den Heere openlijk aan te roepen en den armen Christelijke handreiking te doen. Ten andere, dat ik al de dagen mijns levens van mijne booze werken viere, den Heere door Zijn Geest in mij werken late en alzoo den eeuwigen Sabbath in dit leven aanvange.''
De sabbat dus om God te loven en te prijzen, de liturgie te vieren, christelijke handreikingen te doen en te rusten van de boze werken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.