*

 
dossier

Archief

Dom

LEO PRICK − 24/01/96, 00:00

Mijn eerste baan was die van leraar Nederlands. Als vrienden of kennissen hoorden wat ik deed, kwamen ze met verhalen over school. Tien jaar na hun schooltijd bleek de verontwaardiging over hun ervaringen met het vak Nederlands nog springlevend.

Twee onderdelen spanden daarbij de kroon. In de eerste plaats het opstel. Daar betrof de meest geuite klacht de beoordeling. Het opstel waarvoor ze bij de ene leraar een acht hadden gekregen leverde een jaar later, ingeleverd bij een andere leraar, een onvoldoende op en het hoog gewaardeerde opstel van de vriendin van een andere school, frauduleus ingeleverd als eigen werk, bleek te zijn verworden tot een onwaardig prul. Schandelijke willekeur inderdaad; natuurlijk hadden de klagers gelijk.

De tweede frustratie betrof de boekenlijst waarmee veel leraren Nederlands erin slaagden weerzin te kweken tegen alles wat met literatuur te maken heeft. Een weerzin zo diep, dat velen er na hun schooltijd jaren voor nodig hadden die weer te overwinnen.

Die weerzin was het gevolg van de eenzijdige nadruk die traditioneel werd gelegd op Literatuur met een grote L en met de plechtstatige benadering ervan. Tegenwoordig ligt de nadruk op leesplezier. Dat lijkt me een voortreffelijk uitgangspunt dat trouwens de kennismaking met Literatuur en literatuurgeschiedenis niet in de weg hoeft te staan.

Dit ter inleiding van iets waar ik oprecht van ben geschrokken. U kent wellicht De nacht der Girondijnen, in 1957 verschenen als boekenweekgeschenk. Deze novelle maakt deel uit van een bij uitgeverij Wolters-Noordhoff verschenen serie van niet al te dikke boekjes, geschikt voor de eindexamenlijst. Dit boekje werd indertijd de hemel in geprezen. Achteraf gezien begrijpelijk, want Presser spaarde in zijn relaas over Westerbork niets en niemand; ook zichzelf en de Joden niet. Geheel in stijl met deze historische, moedige daad toonde Vrij Nederland op zijn beurt de moed het “te maniĆ«ristisch gespeel met eruditie en citaten” door de schrijver te bekritiseren. De Italiaan Primo Levi kon het zich als overlevende van de holocaust permitteren te vallen over Pressers “intellectualistisch vertoon, een wat al te gekunsteld en gezocht taalgebruik”.

Toen ik mijn dochter ermee zag worstelen heb ik het herlezen. Te pas en te onpas koketteert de auteur met zijn indertijd recent op de universiteit verworven kennis van moeilijke termen. Daarnaast bevat het boekje, ook voor hoog geschoolde volwassenen, legio duistere passages en onbegrijpelijke verwijzingen naar literaire en filosofische bekend- en onbekendheden.

Dat een leraar Nederlands zijn leerlingen, waaronder ook een aantal voor wie het Nederlands niet de taal is die thuis wordt gesproken, op eigen kracht zoiets laat lezen, getuigt van onverschilligheid of, in het gunstigste geval, onnozelheid. De uitgever die dit boekje in zo'n examenreeks uitbrengt is uitermate dom, want wie van deze jongeren zal later ooit nog eens een boekwinkel binnenstappen voor iets anders dan een agenda of een belastinggids?

mailIcon print |