Het rapport van de commissie-Van Traa is niet alleen hard over de omstreden opsporingsmethode, maar ook over de hoofdrolspelers in het IRT-drama. Ministers, Kamerleden, politieagenten, leden van het openbaar ministerie, bijna niemand wordt gespaard. Ook de Tweede Kamer en 'de overheid' krijgen er van langs. Een overzicht van de slachtoffers.
Eric Nordholt. Hoofdcommissaris in Amsterdam. Op één punt komt hij er beter vanaf dan in het rapport van de commissie-Wierenga, die twee jaar geleden een onderzoek heeft gedaan naar de IRT-zaak. In dat rapport werd de schuld van het opheffen van het IRT-team Noord-Holland/Utrecht grotendeels bij het Amsterdamse korps gelegd. Van Traa en de zijnen zijn genuanceerder. Het was terecht dat Amsterdam zich scherp verzette tegen de door het IRT-team gehanteerde opsporingsmethode (reden om het IRT-team op te heffen), maar de Amsterdammers verzuimden met initiatieven tot verbeteringen van de situatie te komen.
Op een ander punt is de commissie zeer kritisch over het functioneren van Nordholt. “De korpsleiding heeft er soms moeite mee het gezag van het openbaar ministerie te aanvaarden. Dat is in ieder geval gebleken in Amsterdam en Utrecht.” In de laatste stad is Jan Wiarda hoofdcommissaris. Van eerherstel voor Nordholt, waar de Amsterdamse korpschef zo naar op zoek was, is dan ook geen sprake. Voorzitter Van Traa zei gisteren dat het trouwens ook niet de taak van zijn commissie was mensen eerherstel te geven.
Ries Straver. Collega (en ooit goede vriend) van Nordholt in Haarlem. Heeft (net als Wiarda) 'verzuimd op de juiste momenten leiding te geven' aan zijn politiekorps. Heeft, na de opheffing van het IRT-team, achterwege gelaten om zich te vergewissen van de activiteiten van de CID-Kennemerland.
Klaas Langendoen en Joost van Vondel. Genoemd: het koningskoppel. Langendoen was chef CID-Kennemerland, Van Vondel zijn naaste medewerker. Ze waren de runners van een belangrijke informant. Van Vondel ging daarmee door nadat hij de politie verlaten had. 'Onaanvaardbaar', oordeelt de commissie. Langendoen heeft zijn taak 'op volstrekt onverantwoorde wijze' uitgeoefend. Samen met Van Vondel ging hij in zee met de inmiddels befaamde sapman, de man die het vruchtesap opkocht dat diende als deklading voor ingevoerde drugs. Met de sapman waren er 'allerlei ongewenste vermengingen van zakelijke en privé-relaties'. De commissie-Van Traa verdenkt Langendoen en Van Vondel ervan meineed te hebben gepleegd.
Jonkheer L. de Beaufort. Officier van justitie in Haarlem. Heeft zijn gezag, zeker na de IRT-affaire, onvoldoende uitgeoefend.
Jo Valente. Tegenwoordig officier van justitie in Middelburg, bekleedde deze functie ten tijde van de IRT-affaire in Amsterdam. Volgens de CID-chef in Gooi- en Vechtstreek Van der Putten had Valente toestemming gegeven om 5 000 kilo drugs door te laten. Bandopnames van telefoongesprekken tussen Van der Putten en Valente laten horen dat Valente aanvankelijk inderdaad toestemming gaf, maar die later weer introk. “Naar de mening van de commissie had officier van justitie Valente duidelijker moeten aangeven aan CID-chef Van der Putten dat bepaalde trajecten niet toelaatbaar waren.”
Elisabeth Schmitz. Nu PvdA-staatssecretaris van justitie, ten tijde van de IRT-affaire burgemeester van Haarlem. Zij was er, net als De Beaufort en Straver, verantwoordelijk voor dat er nauwelijks sturing van en controle op de activiteiten van de CID-Kennemerland was. Bovendien was zij betrokken bij het verstrekken van valse identiteitsbewijzen ten behoeve van medewerkers van de CID-Kennemerland. “Zij had naar het oordeel van de commissie navraag moeten doen naar het gebruik ervan.”
Rutger graaf Van Randwijck. Tot voor kort procureur-generaal in Amsterdam. Is vertrokken met een zeer omstreden gouden handdruk die minister Sorgdrager van justitie ernstig in verlegenheid bracht. Heeft 'onvoldoende sturing' gegeven tijdens de IRT-affaire. Bleek op een cruciale vergadering niet voldoende gezag te hebben om de Delta-methode te laten stoppen.
Rolph Gonsalves. Procureur-generaal in Den Bosch. In opspraak gekomen vanwege zijn optreden in het toenmalige Nederlands Nieuw-Guinea. Naar verluidt na Van Randwijck nummer twee op het 'dodenlijstje' van Sorgdrager. In het rapport van de commisie-Van Traa krijgen alle vijf procureurs-generaal ervan langs (dus ook Sorgdrager, die 'pg' in Arnhem en Den Haag was). De vergadering van pg's heeft, na de IRT-affaire, 'haar verantwoordelijkheid niet adequaat uitgeoefend'. Ze liet de verstoorde verhoudingen binnen het openbaar ministerie, tussen de politiekorpsen en het OM, en tussen de politiekorpsen in Amsterdam en Haarlem 'onbesproken'. “De procureurs-generaal hadden zich nader moeten informeren. Dit geldt in het bijzonder voor procureur-generaal Gonsalves als portefeuillehouder zware, georganiseerde misdaad.”
Hans Vrakking. Hoofdofficier van justitie in Amsterdam. Wist niet welke opsporingsmethoden er gebruikt werden, terwijl hij wel verantwoordelijk was.
Elco Brinkman. Tegenwoordig bouwwerkgever, vroeger voorzitter van de CDA-fractie in de Tweede Kamer, in de tijd dat de christendemocraten nog de grootste fractie vormden. Daarom was Brinkman voorzitter van de commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, in de wandeling de BVD-commissie geheten. Deze commissie kreeg vertrouwelijk het geheime deel van het onderzoek van de commissie-Wierenga dat op essentiële delen afweek van de openbare stukken, onder andere op het punt van de opsporingsmethode. Brinkman beweerde het tegendeel: “datgene wat in de geheime bijlage stond, dekte datgene wat het kabinet in de openbare stukken had gezegd.” Niet waar, aldus de commissie-Van Traa. Brinkman had er nooit akkoord mee mogen gaan dat alleen hij en zijn collega's Wöltgens (PvdA), Van Mierlo (D66) en Bolkestein (VVD) de vertrouwelijke delen van het rapport-Wierenga kenden, terwijl de rest van de Tweede Kamer in het ongewisse bleef.
Ko Wierenga. Voorzitter van de naar hem genoemde commissie, die vóór de parlementaire enquêtecommissie de IRT-affaire onderzocht. De commissie-Van Traa schrijft dat de commissie-Wierenga 'onder een bijkans onmogelijke tijdsdruk' heeft moeten werken. Maar Van Traa deelt de conclusies van zijn voorganger niet. Wierenga vond dat de Delta-methode wel door de beugel kon. De commissie-Van Traa schrijft nu: “Gezien alle informatie die nu voorhanden is, was de Delta-methode met al haar consequenties onverantwoord en niet aanvaardbaar.”
Piet Stoffelen. Voormalig lid van de Tweede Kamer voor de PvdA. Onthulde tijdens een debat in april 1994 dat politie en justitie drugs doorlieten. Vroeg echter niet door bij de ministers Hirsch Ballin en Van Thijn of zijn informatie wel klopte. “Hij was te bevreesd voor het mogelijke aftreden van de ministers of het hele kabinet om de zaak in de Kamer op te helderen. Politieke overwegingen wonnen het in ieder geval bij één van de coalitiepartners van het bevragen van de ministers over de wezenlijke methode van de methode.” Enkele weken later traden Van Thijn en Hirsch Ballin alsnog af.
Tweede Kamer. Het parlement was zeer gespitst op strenge wetgeving om de georganiseerde misdaad te kunnen bestrijden. Maar de Kamerleden hielden zich absoluut niet met de opsporingsmethoden bezig. “Kamerleden blijken zich niet ervan bewust te zijn geweest hoe de opsporing in de praktijk werkt. (. . .) Naar de mening van de commissie heeft de Kamer verzuimd met de regering een principieel debat te voeren over de ontwikkeling van de opsporing.”
Overheid. Politie, justitie, bestuur en politiek hadden de laatste jaren vooral oog voor de reorganisatie van de politie, de uitbreiding van het aantal cellen, en 'het integrale veiligheidsbeleid'. Ze hadden nauwelijks kennis van de opsporingsmethoden.
De commissie-Van Traa concludeert “dat het gebleken gebrek aan inzicht in en controle en toezicht op de gehanteerde opsporingsmethoden onverantwoord is: onverantwoord uit het oogpunt van de rechtsstaat en onverantwoord uit het oogpunt van behoorlijk bestuur. De overheid is hier tekort geschoten.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.