“Ik was jong, nog maar dertien, toen mijn vader stierf. Mijn moeder moest gaan werken. Ze vond een redelijke baan als hoofd van een school, maar je merkte toch dat er met een zekere zieligheid naar ons gekeken werd, naar mijn moeder en haar drie jonge dochters. Er was geen man die het voor het zeggen had, zoals het eigenlijk hoorde. Ik denk dat die ervaring mij voor het leven heeft getekend.
Als oudste dochter leerde ik net als mijn moeder dat wij moesten vechten tegen de normen van die tijd, de jaren vijftig en zestig. Voor vrouwen was er geen eigen plek, geen middelen om ook als individu je leven vorm te geven. En dan hadden wij nog het geluk dat we uit een redelijk bemiddelde klasse kwamen. Het was in elk geval vanzelfsprekend dat wij meisjes ook naar school zouden gaan.
Maar een normale jeugd heb ik niet gehad, zonder vader. Zijn dood heeft een enorme betekenis voor me gehad. Ik besefte dat ik zelf zou moeten zorgen voor mijn onafhankelijkheid. De paar honderd rupees die mijn moeder verdiende, daarmee kwam je er niet. Maar tegelijkertijd voelde ik dat ik ook iets moest doen voor die mensen die nog veel minder bevoorrecht waren. Die twee zaken hebben me altijd gedreven.
Ik zie mezelf dan ook niet alleen als een geleerde, een academica. Ik ben ook activist, ik hoor tot een groep in de samenleving die zich actief bemoeit met maatschappelijke processen. Die combinatie spreekt voor mij vanzelf, in India en in andere landen van de Derde Wereld. Natuurlijk doen de zuivere wetenschappers er ook toe. Maar ik wil een band houden met de werkelijkheid hierbuiten. Het hoeft niet, maar zo wil ik het. Ik ga dan misschien niet elke dag demonstrerend de straat op, maar ik probeer toch minstens te begrijpen wat daar aan de hand is.
Aan deze universiteit gold dat twintig jaar geleden heel sterk. Wie hier was, was radicaal. Ik heb wat dat betreft ook geluk gehad in mijn persoonlijke leven. Mijn man, die hier ook werkt, is nog radicaler dan ik. Aan het einde van de jaren tachtig zag je het veranderen. De studenten raakten helemaal geobsedeerd door hun loopbaan, de titels die ze konden halen, hun promoties. Een yuppie-syndroom. Bij ons docenten heeft dat een aantal mensen behoorlijk in de war gebracht. Maar ik heb de hoop niet verloren.
Als India met zijn onafhankelijkheid iets te vieren heeft, dan is het dat we erin geslaagd zijn ons democratisch systeem overeind te houden. Maar we moeten ons wel afvragen hoe ver we in andere opzichten zijn gekomen, wat we doen met zaken als ongeletterdheid, kinderarbeid en de onderdrukking van vrouwen. Dat stemt me niet optimistisch, het lijkt soms wel alsof we de andere kant opgaan en zeggen: och, laat maar schieten, die armen, vergeet het maar. En toch. Ik ben tevreden met het werk dat ik doe, met mijn studenten, mijn deelname als gewone burger aan de vrouwenbeweging of aan milieuzaken. Verder lees en schrijf ik zo veel mogelijk, het houdt me aan de gang. Iemand moet toch de aandacht op de andere kant vestigen, zo nu en dan, iemand moet zich toch tegen bepaalde dingen uitspreken. Je niet zomaar identificeren met het systeem. Vragen stellen. Dat is het pluralisme van India, dat is voor mij democratie.
Mijn dochter is nu achttien en studeert economie. Natuurlijk is zij behoorlijk feministisch, op haar eigen manier. Ze is in die sfeer opgegroeid, maar ze leeft ook binnen haar eigen groep vrienden. Het is meer muziek dan politiek. Naar de disco gaat ze niet, maar ik zie haar zich ook niet bij een massabeweging aansluiten. Zij vindt haar eigen richting wel, voor haar is het makkelijker.
Als ik premier van dit land zou zijn, zou ik een groot aantal zaken heel anders aanpakken. Vooral economisch. India moet zich allereerst richten op die mensen die na al die jaren nog steeds verschrikkelijk slecht af zijn. Dat waren ook de idealen van Nehru, de eerste premier. Ik weet dat ik bij die generatie van Nehruvianen hoor. Natuurlijk moet je dan ook compromissen sluiten. Maar de idealen gelden nog steeds.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.