*

 
dossier

Archief

De jongste vroeg: kunnen we pappie niet ruilen?

COLET VAN DER VEN − 15/01/97, 00:00

Geboren vóór, in of kort na de Eerste Wereldoorlog, een leven waarin kerk en godsdienst een rol speelde die met de jaren veranderde, soms radicaal of meer dan eens. 'De dagen onzer jaren zijn zeventig jaar of als wij zeer sterk zijn tachtig jaar; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet', weet de psalmist. Wat zegt de 'zeer sterke' er zelf van? Vandaag de twintigste aflevering: Gudel Schröder-Broeckmans (85), 'vriendin' van de remonstranten.

Mijn grootvader was mijn ideaal en grote liefde. Vriendelijk, creatief, vrolijk, vooruitstrevend. Hij was als marskramer uit Oostenrijk gekomen. Ging aanvankelijk met een hondekar langs de boeren in de Haarlemmermeer, maar in korte tijd bouwde hij een grote manifacturenzaak en een elektriciteitsbedrijf op en stichtte hij een lokaal dagblad. Mijn vader, Amsterdammer uit een goed-burgerlijk milieu, heeft later de winkel overgenomen en kwam zo in Aalsmeer terecht. In het dorp bleef hij als stadsmens een buitenbeentje. Hij was driftig, mijn moeder timide en zacht.

Mijn vriendinnen zeggen dat ik later op mijn moeder ben gaan lijken, maar als ik in de spiegel kijk zie ik vaak het gezicht van mijn vader. Hij was hervormd, zij doopsgezind. Mijn zusjes en ik zijn pas later gedoopt maar wel in de hervormde kerk opgevoed. Op mijn achttiende heb ik belijdenis gedaan en het doopsel ontvangen. Niet met volle overtuiging. Ik had als kind een religieuze aanleg, voelde me thuis in de kerk, maar op mijn zevende werd de eerste bres in mijn geloof geslagen.

Mijn grootvader verdronk tijdens een storm op de Westeinderplassen. Hij was niet religieus, ging nooit naar de kerk, las de Groene. Op de zondagsschool had ik over hel en hemel gehoord en ik begreep dat de hemel voor hem gesloten zou blijven. Dat bracht mij aan het twijfelen over de officiële christelijk leer. Daar kwam bij dat ik, toen ik belijdenis moest doen, samen met twee vriendinnen bij de kerkenraad op het matje werd geroepen. We hadden gezondigd, want gedanst in de lijdenstijd! Ik werd opstandig, aarzelde of ik me wilde laten aannemen, maar de dominee zei: 'Het huis onzes Heren heeft vele woningen.' Ik heb me door hem laten overhalen.

Ik had graag naar het gymnasium gewild, maar mijn vader zat in het bestuur van de Christelijke mulo en die school had leerlingen nodig. Na mijn eindexamen zat ik vast. Ik wist niet wat ik moest, kon tot mijn spijt niet studeren en ben apothekersassistente geworden. Ik was in die tijd verloofd met Karel de Boer, een jongeman die in Indië een kwekerij wilde beginnen. Na zijn vertrek kreeg ik het gevoel dat hij niet de ware was. Ik leerde een Duitse student kennen en verbrak mijn verloving. Met die Duitser werd het problematisch. Hij was SS'er en ik maakte het uit.

In die dagen werkte ik als apothekersassistente bij een arts die uit idealistische motieven koos voor het nationaal-socialisme. Door de invloed die hij op me had ben ik, hoewel ik eerst aangesloten was bij de Christelijk Historische Jongeren, lid geworden van de NSB. Die partij bood mij in eerste instantie antwoorden op crisis en werkeloosheid. Er leek toen nauwelijks een derde weg te bestaan tussen communisme en nationaal-socialisme.

Ik was van huis uit anti-communistisch opgevoed, dat was het rode gevaar. Achteraf zie ik dat het een verwrongen beeld was. Bij de inval door de Duitsers in Polen, die door de NSB vergoelijkt werd, heb ik gezegd: 'Hier sta ik niet achter' en heb mijn lidmaatschap opgezegd. Toch heeft dat lidmaatschap me mijn hele leven achtervolgd.

Intussen bleef Karel maar schrijven. Waarom ik niet naar Indië kwam, dan konden we zien of er nog iets van de oude liefde bestond. Zijn ouders boden mij de overtocht aan en zoals dat dan gaat: de hele familie wordt enthousiast en uiteindelijk vertrok ik met een complete uitzet. Vanaf het moment dat ik in Indonesië aankwam wist ik dat het niet klopte. Hij was bijzonder aardig, maar ik voelde dat hij me niet een leven lang zou kunnen boeien. Ik ben naar goed gereformeerde vrienden gegaan en die hebben mij met gesprekken en gebed geholpen de beslissing door te zetten. Hun geloof gaf mij steun, ik denk dat het vaak zo werkt.

Omdat ik niet met hangende pootjes naar Nederland terug wilde, plaatste ik een advertentie waarin ik mezelf als apothekersassistente aanbood. Ik kon terecht in het Plantershospitaal in Sumatra. Ben er vier jaar gebleven. De heerlijkste jaren van mijn leven. Het avontuur trok me, ik had een eigen huis, eigen bedienden, er was een hechte Europese gemeenschap, we gingen op tijger- en olifantenjacht.

Op Sumatra, heb ik Eugène ontmoet. Hij zat in de export, was vijf jaar jonger dan ik, katholiek, en had iets fris, charmants, vrolijks. In de koloniale gemeenschap waren goede huwelijken eerder uitzondering dan regel; het had me kritisch gemaakt, maar ik viel voor dat onbedorvene. In '40 zijn we getrouwd. In '42, een paar maanden na de capitulatie van Nederlands-Indonesië, ben ik, samen met mijn dochtertjes van zes maanden en twee jaar, geïnterneerd in kamp Karees in Bandoeng.

We zaten met drie gezinnen in een huis. Aanvankelijk waren we nog min of meer vrij, maar al snel verslechterde de situatie. Er werd een omheining van bamboe geplaatst, we mochten niet meer naar buiten, er kwam een gaarkeuken en de kinderen kregen difterie. De oudste werd weggehaald en naar een ziekenhuis gebracht. Ze heeft daar twee maanden gelegen zonder dat ik haar op mocht zoeken.

Toen mijn dochtertje terugkwam dacht ik dat ze gek was geworden, ze gilde elke nacht. Op een bepaald moment legde een van de kamphoofden beslag op ons huis. We kwamen terecht bij wildvreemde mensen die ons het liefst zo snel mogelijk zagen vertrekken. We namen ruimte in en bovendien huilden de kinderen veel. Die voelden natuurlijk mijn angst aan. Ik wist niet wat ons te wachten stond, waar mijn man was. Als ik mijn dagboek uit die jaren nalees zie ik dat ik veel steun heb gehad aan een goede vriendin, maar ook aan mijn geloof.

Begin '44 werden we getransporteerd naar Banjoe Biroe, een kamp op Midden-Java. Het transport duurde twee dagen en twee nachten. Geblindeerde treinen, geen water, veel kinderen met buikloop, het was een hel. We dachten dat we uitgewisseld zouden worden tegen Japanse krijgsgevangenen maar ineens stonden we voor een gevangenis, de poort ging open en het werd duidelijk dat de situatie achter die poort slechter was dan in het vorige kamp. Vijfduizend mensen op elkaar gepakt, weinig eten, veel doden, elke dag op appèl.

We werden vaak collectief of individueel gestraft: uren in de brandende zon, opsluiting in een lijkenhuisje. Het heeft me harder gemaakt. Ik merkte het, toen ik na de oorlog naar het Concertgebouw ging. Ik had me er op verheugd om weer muziek te horen maar het deed me niets. Ik had eelt op mijn ziel gekregen, zoals de tekenaar Jo Spier zou zeggen. Ik merk het nu nog aan het feit dat ik moeilijk kan huilen.

Aan het einde van de oorlog woog ik 80 pond. Ik lag met leverontsteking in het ziekenhuis en zag mensen om me heen sterven. Mijn allerliefste vriendin, waar ik veel aan te danken heb, nam de zorg voor de kinderen op zich. De bevrijding kwam voor mij net op tijd. Ik kreeg groente en fruit en genas.

Na drie-en-half jaar werd ik herenigd met Eugène. Ik droeg de enige mooie jurk die ik al die jaren had meegesjouwd. Het was voor ons allebei een vreugdevol weerzien. Voor de kinderen was hij strenger dan ik, zodat de jongste vroeg: 'Kunnen we pappie niet ruilen?', gewend als ze was om alles te ruilen. In het kamp was Eugène zijn geloof verloren. Ik had aanvankelijk nog overwogen katholiek te worden omdat één traditie in een gezin me beter leek dan twee, maar de nieuwe opstelling van Eugène maakte die keuze overbodig. Hij wilde ook niet dat ik de kinderen protestant zou opvoeden.

Toen bleek dat ik zwanger was van de derde mochten we vrij snel naar Holland. Eenmaal hier kon Eugène geen baan vinden en hij vertrok weer richting Indonesië. Eigenlijk is dat het begin van de ontwrichting van ons huwelijk geweest. Pas na een jaar was er een huis voor ons en konden we hem nareizen. Hij had intussen een vriendin. Een moeilijke tijd. Het was de periode na de politionele acties en de Indonesiërs gedroegen zich vijandig. In die jaren leerde ik op een afscheidsfeestje bij vrienden Binnert Schröder kennen. Ik was geïmponeerd. Vond dat hij op mijn grootvader leek.

Na een paar jaar gingen we terug naar Nederland, maar niet veel later reisde Eugène opnieuw af naar Indonesië. Weer was er geen huisvesting voor ons en bleef ik alleen achter met vier kinderen. Na twee jaar kwam Eugène terug. Hij had ontslag genomen, wilde toch bij het gezin zijn en vond een baan in Rotterdam. We kregen een weekendhuwelijk. Inmiddels verwachtte ik, op mijn zevenenveertigste, de vijfde.

Eugène wilde geen kinderen meer, maar ik weigerde abortus. Ik heb me nooit zo alleen en in de steek gelaten gevoeld als toen, ondanks de steun van goede vrienden. Ik was vaak boos, ik heb een driftige aard, maar ik hield ook van hem. Misschien is er in je hele leven maar één man waaraan je je met ziel en lichaam overgeeft en dat was hij.

Toch voelde ik dat ons huwelijk aan het aflopen was en ik maatregelen moest nemen voor de toekomst. De tweede dochter had net eindexamen MMS gedaan en kreeg een papiertje in de bus van de sociale academie. Ik raakte geïnteresseerd en ben begonnen met de vierjarige parttime opleiding, naast een baan als hoofd van de gezinsverzorging.

Mijn geloof stond in die tijd op een laag pitje. De hervormde kerk besteedde geen aandacht aan ons. De enige die op bezoek kwam was de pastoor. We gingen wel eens naar de kerk met kerstmis maar het dagelijkse leven met al zijn zorgen nam me teveel in beslag.

Binnert, inmiddels terug in Nederland, verscheen weer op het toneel. Onze vriendschap groeide uit tot een relatie. Hij was getrouwd, ik ook nog. Tenslotte kwam het uit. Ik stelde een proefperiode voor waarin Binnert en ik elkaar niet zouden zien maar tijdens die periode werd duidelijk dat Eugène en ik niet samen verder konden. We zijn gescheiden en Binnert en ik gingen in Den Haag wonen waar ik een baan kreeg bij de raad van de kinderbescherming.

Binnert - zijn moeder was de vriendin van Rietveld - had een totaal andere opvoeding gehad dan ik. Hij heeft me impulsen gegeven om mezelf te ontplooien, me zelfbewuster gemaakt. Zo heb ik een studium generale Chinakunde en filosofie gedaan en een jaar criminologie gevolgd in Leiden. Dat is de winst als de ander een ander is.

Na zeven jaar bij de raad en een tijdje niets, wilde ik toch weer werken. Ik las in een advertentie dat de remonstrantse kerk een pastoraal-sociaal werkster zocht. Ik wist niet of ik wel genoeg geloofde, vertelde tijdens het sollicitatiegesprek dat ze niet van mij moesten verwachten dat ik met mensen zou bidden, maar kreeg die baan. Zo heb ik de remonstrantse gemeente leren kennen waar ik amper het bestaan van wist. Ik vind remonstranten over het algemeen bijzondere, bewust levende mensen. Tolerant en vaak verrassend. Ik kon me vinden in de sociale vertaling van hun geloof, maar als ik naar de kerk ging en er werd over God gesproken dacht ik wel: wat of wie bedoelen ze nou? Maar dat vraag je niet in een volle kerk. God is voor mij nog altijd een raadsel. Hij is het goddelijke dat ik ervaar in de schepping, soms in mensen, vaak in katholieken.

Binnert, zelf atheïst, vroeg me wel eens: 'Waarom geloof je?' Dan zei ik: 'Omdat ik het weet'. Het is geen wetenschappelijk weten, het is een ervaring van goddelijke nabijheid. Hoogtepunten waren in dat opzicht de geboorten van mijn kinderen. Toch bracht zijn atheïsme me soms weer aan het twijfelen. Gek dat dat zo wisselt, geloof en twijfel. Dat heb ik mijn hele leven gehad.

Op een dag las ik in Credo, het blad van de remonstranten, een artikel van dominee Cramer. Het trof me hoe hij sprak over het goddelijke in de mens en ik ben naar hem gaan luisteren. Een belevenis zoals ik maar zelden heb meegemaakt. Ik had het gevoel dat ik opgetild werd. Ik heb me uitgeschreven bij de hervormde kerk en ben 'vriendin' geworden van de remonstranten. De remonstrantse zienswijze zegt: 'Eenheid in het Nodige, Vrijheid in het Twijfelachtige, in alles de Liefde'. Dat spreekt mij erg aan. Ik heb bij hen mijn geestelijk thuis gevonden. Kunnen geloven, niet moeten geloven; leven vanuit dankbaarheid, niet vanuit schuldgevoel.

Binnert is twee jaar geleden gestorven. Ik heb niet vaak het idee dat hij er nog is, maar vanmorgen hoorde ik een geluidje in de oven en het was net alsof ik hem 'haasje' hoorde zeggen. Het leven zonder hem is eenzaam, maar misschien is die eenzaamheid wel goed, onthecht het me, maakt het 't afscheid makkelijker. Ik denk dat je jezelf pas echt kunt overgeven aan de dood, wanneer je moe van leven bent geworden. Ik geloof alleen niet dat ik al moe genoeg ben.''

mailIcon print |