ZUIDLAREN - Maar liefst 438 patiënten verzon neuroloog Gelmers van het Twenteborg Ziekenhuis in Almelo, die meedeed aan een onderzoek naar het voorkómen van herseninfarct. Vorige week maakte het ziekenhuis bekend dat de neuroloog zijn praktijk beëindigt. Het bedrijf Boehringer Ingelheim had de neuroloog 2500 gulden betaald per patiënt.
Het onderzoek vond plaats tussen 1986 en 1995. Een dergelijke fraude is moeilijk denkbaar, sinds in 1994 de kwaliteitsnorm Good clinical practice is ingevoerd. Door de verhoogde kwaliteitseisen wordt de druk op farmaceutische bedrijven groter.
“IJdelheid is een grotere bedreiging voor de kwaliteit van het geneesmiddelenonderzoek dan de zucht naar winst”, vindt dr. J. H. G. Jonkman, hoogleraar in kwaliteitsmanagement van geneesmiddelenonderzoek en -productie aan de Rijksuniversiteit Groningen. “Wetenschappelijk wangedrag in de vorm van datamassage of zelfs het verzinnen van gegevens gebeurt nooit onder druk van het bedrijf, want dat wil juist graag weten of er vervelende neveneffecten zijn. Natuurlijk wél in een zo vroeg mogelijk stadium, maar ze willen het in ieder geval weten.”
Toch is het volgens Jonkman niet uitgesloten dat gezien de grote belangen, wetenschappelijk wangedrag vaker zal voorkomen in onderzoek naar de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen.
Een octrooi op een geneesmiddel duurt achttien jaar. Dat betekent dat zes jaar nadat een geneesmiddel op de markt komt, andere farmaceutische bedrijven met eenzelfde soort geneesmiddel kunnen komen. Geneesmiddelenproducenten willen daardoor de onderzoekstijd geen dag langer laten duren dan nodig is. Dat legt een grote druk op de onderzoekers.
Volgens J. Jonkman“ weten farmaceutische bedrijven zelf toch maar al te goed dat ze er baat bij hebben, goede, veilige en betrouwbare middelen op de markt te brengen. “De waarheid komt altijd een keer aan het licht.”
Jonkman is tevens oprichter en directeur van Pharma Bio-research, een onafhankelijk wetenschappelijk instituut dat klinisch farmacologisch onderzoek doet. Het bedrijf bestaat sinds 1984.
Jonkman hield vorig jaar november zijn inaugurele rede met daarin het voorbeeld van de de beroemde fraude met de beschilderde muis. Immunoloog William Summerlin uit New York maakte eind jaren '70 korte tijd furore met de huidtransplantatie van een zwarte naar een witte muis. Achteraf bleek dat de getransplanteerde stukjes donkere huid toch van een witte muis afkomstig waren. Ze waren gewoon met een viltstift zwart gemaakt.
Tegenwoordig duurt het gemiddeld twaalf jaar voor een nieuw medicijn genoeg is getest om op de markt te kunnen verschijnen. Deze ontwikkelingstijd is zo lang geworden mede door de invoer van kwaliteitsnormen op het onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen, zoals Good laboratory practice (ingevoerd in 1986) en Good clinical practice (1994).
Het bedrijfsleven was er volgens Jonkman als eerste bij om de nieuwe kwaliteitsnormen toe te passen. “Wij administreren ons een ongeluk.” De universiteiten lopen hierbij achter. Bij de 34 laboratoria die op 31 december 1996 een certificaat wegens Good laboratory practice hebben ontvangen zit niet één universitair laboratorium. “De drang om de regels toe te passen is bij universitaire onderzoekers niet zo groot.”
Bij het onderzoek naar een nieuw geneesmiddel worden pas helemaal op het eind tests met mensen gedaan. Aan de eerste fasen van het onderzoek komt zelfs geen reageerbuis te pas: de nieuwste medicijnen worden per computer ontworpen en getest. Bij die tests vallen heel veel producten af. Van alle potentiële geneesmiddelen die onderzoeker van een geneesmiddelenproducent bedenken komt gemiddeld maar 1 op de 5000 als product op de markt. Dat heeft dan zo'n miljard gulden gekost.
Een uitgebreide schriftelijke vastlegging van het onderzoek maakt het bijna onmogelijk, nog patiënten te verzinnen. Tegenwoordig heeft ieder farmaceutisch bedrijf controleurs, zogeheten monitors, die bij de medisch specialisten langsgaan om het onderzoek te controleren. In verband met de bescherming van de privacvy van de patiënten ziet de controleur hen niet persoonlijk. Wel kan hij vragen stellen over de dossiers.
Jonkman: “Dat gaat dan zo: de patiënten hebben een nummer. De monitor vraagt dan: hoe is het bezinksel van nr. 173 na drie weken? Je moet dan wel van heel goede huize komen wil je dat allemaal verzinnen.”
Maakt het voor het soort onderzoek uit, of dit gedaan wordt in het lab van een geneesmiddelenproducent of in het lab van een universiteit?
“Het maakt niet veel uit. Het onderzoek aan de universiteiten vindt voor een deel plaats dankzij donaties van de farmaceutische industrie. Voor een ander deel wordt dit onderzoek betaald door collectebusfondsen, zoals het astmafonds of het Koningin Wilhelminafonds. Dat gaat om grote bedragen. De Nederlandse Organisatie voor wetenschappelijk onderzoek verdeelt deze. Het is voor de uitkomsten van het onderzoek niet belangrijk waar het geld vandaan komt. Als je er maar wel eerlijk over bent.”
De universiteiten hebben als criterium voor hun onderzoek ook maatschappelijke relevantie gehad. De farma wil uiteindelijk resultaten in de vorm van een verkoopbaar product.
Liever een product dat symptomen bestrijdt dan een product dat definitief een kwaal uitbant?
,Definitief kan natuurlijk niet. Als je een keer griep hebt gehad, dan kan je dat ook wel weer terugkrijgen. Een ontwikkeling binnen het geneesmiddelenonderzoek is wel, dat er steeds gerichter werkende moleculen worden gevonden. Vroeger had je aspirine dat tegen van alles en nog wat hielp. Nu weten we veel meer van de werking van receptoren. Als je weet welke receptor belangrijk is voor welk ziektebeeld, kan je een molecuul maken dat op die receptor past. Na een tijdje moet je dan toch een nieuw tablet slikken, met daarin moleculen die op de overgebleven receptoren passen.''
“Het is waar dat de meeste geneesmiddelen symptoombestrijders zijn. Maar er wordt ook gewerkt aan vaccins, bijvoorbeeld aan een vaccin tegen aids.”
Doet Jonkman niet iets te luchtig over de wetenschappelijke betrouwbaarheid van bedrijven?
Neem de reacties van Eli Lilly op negatieve berichten over het antidepressivum Prozac of de reactie van Dow Chemical op lekkende siliconenprothesen of, om eens andere bedrijfstak te noemen, de tabaksindustrie die tientallen jaren het verband tussen roken en longkanker heeft ontkend. “Dat heeft mij altijd verbaasd. Er is wél verschil tussen de tabaks- en de farmaceutische industrie. Tabaksproducenten vormen een blok, alleen al omdat ze hetzelfde product maken. Dat kun je van de farmaceuten niet zeggen. Die maken verschillende producten en voorzover ze bijna dezelfde producten maken proberen ze elkaar vliegen af te vangen en zoms zwart te maken.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.