*

 
dossier

Archief

Na tien groene jaren is de milieumarkt overvol

KOOS SCHWARTZ − 29/07/95, 00:00

AMSTERDAM - Wie tien jaar geleden verstand had van milieuzaken en met die kennis geld wilde verdienen, begon een adviesbureau. Als paddestoelen rezen ze de grond uit, de bureaus en bureautjes. Maar de gouden tijden voor de milieu-adviseurs lijken voorbij te zijn. “Het is een gewone markt geworden.”

Gisteren kwam Grontmij, één van Nederlands grootste ingenieursbureaus, met een opvallend bericht. Het bedrijf wil het mes zetten in zijn divisie Advies & Techniek. De afdeling heeft, aldus een verklaring van het bedrijf, als gevolg van de afvlakkende milieumarkt te weinig werk. Omdat die situatie van blijvende aard is, zijn ingrepen in deze divisie - waar 550 mensen werken - volgens Grontmij onvermijdelijk.

Gaat het zo slecht op de milieumarkt, een markt die zich tien jaar geleden opwierp als een enorme groeimarkt? “Er is een zekere verzadiging opgetreden”, analyseert H. Lever, directeur van het Nationaal Milieu Centrum en tevens voorzitter van de afdeling milieu van het Koninklijk Instituut voor Ingenieurs. “Milieu heeft de afgelopen jaren, mede als gevolg van het Nationaal Milieubeleidsplan van de overheid, volop in de belangstelling gestaan. Er is veel onderzocht en geïnventariseerd. Maar de uitvoering, de aanpak van milieuproblemen blijft wat achter. De overheid bezuinigt, er is weinig geld beschikbaar voor bijvoorbeeld bodemsanering. Veel bedrijven verwachten bovendien dat de huidige, strenge regels voor het reinigen van grond op termijn worden versoepeld. Zij wachten dus nog even met het nemen van maatregelen, in de hoop dat ze over een paar jaar goedkoper uit zullen zijn.”

Opgeslokt Volgens Lever is al een tijdje duidelijk dat de rek er uit is. “Je ziet de laatste tijd nogal wat fusies op de milieu-adviesmarkt. Kleine bureaus worden overgenomen door grotere. Er is een tendens tot concentratie, een teken dat de markt stabiliseert. De grotere bureaus overleven, de kleine worden opgeslokt of verdwijnen.”

Ook bij de Stichting Natuur en Milieu en bij het ministerie van Vrom bestaat de indruk dat de milieu-adviesmarkt over zijn hoogtepunt heen is. Naast de bezuinigingen van de overheid op onderzoek, speelt mee dat er de afgelopen jaren al heel wat is onderzocht. De kennis over milieuzaken is zowel bij overheden als bedrijven toegenomen. Het is geen automatisme meer om een blik adviseurs open te trekken als er ergens een milieuprobleem is geconstateerd.

“De milieumarkt is een normale markt geworden”, zegt H. Benninga, directeur marktontwikkeling van Grontmij's concurrent Heidemij. “Jaarlijkse groeipercentages van tien tot twintig procent zijn verleden tijd.” De opdrachten komen steeds vaker van bedrijven en minder van de overheid. De bedrijven zijn, zegt Benninga, niet zo zeer geïnteresseerd in studies en lijvige rapporten, maar vooral in oplossingen voor praktische problemen. Dat betekent dat zuivere advisering en uitvoering van die adviezen steeds meer in elkaar gaan overlopen. “Wij houden daar bij Heidemij rekening mee. Mensen van de adviesafdeling worden gedetacheerd bij de afdeling Realisatie.”

Betekenen de ontwikkelingen op de milieumarkt dat er de komende tijd een slachting komt onder de vele adviesbureaus? Benninga denkt dat het zo'n vaart niet zal lopen. “Ik doe daar niet dramatisch over. Enige concentratie is er wel, maar het zet niet echt door. Onder de kleine bureautjes, ik denk dat er momenteel meer dan duizend zijn, zal geleidelijk een shake out beginnen.”

De Nederlandse milieumarkt mag dan geen onbeperkte groeimogelijkheden meer bieden, in het buitenland lijkt er nog genoeg te adviseren en te reinigen. Onlangs concludeerde het onderzoeksbureau Arthur B. Little dat Nederlandse bedrijven te weinig gebruik maken van hun voorsprong op milieugebied, die zij danken aan de relatief strenge wetgeving alhier. Nederlandse bedrijven hebben veel kennis en doen slimme dingen, maar verdienen er te weinig mee, aldus Little.

Net als Little ziet ook Benninga veel mogelijkheden in het buitenland. Op een aantal gebieden, zoals zuivering van grond- en oppervlaktewater, het reinigen van grond en het saneren van vuile bodems, heeft Nederland expertise. Kansen liggen er in het voormalige Oost-Duitsland, in Polen, Frankrijk, Engeland en mogelijk in Spanje, meent Benninga. Snelheid is wel geboden, meent hij. “We hebben nog één of twee jaar om onze voorsprong te verzilveren.”

mailIcon print |