Dat René Huigen een nieuwe bundel heeft uitgebracht, 'Monument voor een verzonnen dichter', is op zichzelf opmerkelijk. Zijn vorige bundel heette immers 'Laatste gedichten' en eindigde niet onlogisch met het vers 'Mijn laatste gedicht', waarvan de slotregel ons nogmaals verzekerde dat 'dit werkelijk het allerlaatste was'.
Je kunt deze dichter dus niet zonder meer op zijn woord geloven. Zo is hij weg en zo is hij er weer, en dit kiekeboespel weerspiegelt zich in de gedichten zelf: zij bedrijven een vorm van poëtisch illusionisme. De woorden lossen zich bij Huigen telkens op in hun tegendeel, of in een tautologisch niets ('Huigen is Huigen / en poëzie is poëzie'), of zij verbergen zich achter het dubbelmasker van de woordspeling, de ironie en wat dies meer zij.
Ook in deze nieuwe bundel is dat weer het geval. 'Staande voor een tafel met bloemen // Sta je nog niet voor een tafel / met bloemen', heet het, met een knipoog naar Faverey, in een van deze gedichten. Elders omschrijft hij het gedicht als 'een denkbeeldige / stoel (. . .) waar je vroeg of laat doorheen zakt'. Het woord heeft kennelijk slechts schijnbetekenissen en de poëzie slechts schijnzekerheden te bieden. Zo eindigt 'Man voor het raam' met de verzuchting: ,,Maar wat zegt dat nu helemaal / dat zegt helemaal niets.''
Deze poëzie heeft iets van een gedachtecarrousel waarin de woorden en de zogenaamd beschreven werkelijkheid als dubbelzinnig te kijk worden gezet. Zij moet het daarbij vooral hebben van het spel, de kortsluiting tussen de hersenspinsels, want het lyrische en plastische gehalte van deze praterige verzen stelt niet zoveel voor.
'Het bed waarop je had kunnen liggen' is een goed voorbeeld van het soort mentale draaimolens dat Huigen voor ons in petto heeft. Het begint zo:
Het is niet moeilijk beloften waar te maken, het bed waarop je had kunnen liggen, je ligt erop
Het plafond waarnaar je had kunnen staren, je staart ernaar
We bevinden ons in de rustieke wereld van de gerealiseerde mogelijkheden: 'je had kunnen liggen' en 'je ligt'. De 'jij' heeft in de intimiteit van zijn slaapkamer macht over de dingen. Maar dat blijft niet zo, want zijn gedachten dwalen af naar 'de stoel waar je / op had kunnen zitten', naar het domein van het ongerealiseerde dus. Hij bedenkt dat hij maar hoeft op te staan om het gordijn dicht te doen, maar hij komt er niet toe. De slotstrofe stelt het zo:
Maar roerloos blijf je liggen op dit bed waarop je had kunnen liggen
Kun je liggen op een bed waarop je 'had kunnen liggen'? Als je heel kronkelig doorredeneert wel, maar de voorstelling heeft toch primair een verwarrend effect. We zijn er getuige van hoe het gerealiseerde over het ongerealiseerde zomaar in het irreële kan omslaan, en de onontkoombaarheid daarvan heeft iets verontrustends.
Huigens poëzie heeft nog steeds een speels en soms ook badinerend karakter, maar de ondertoon is ernstiger geworden. Flauwiteiten als 'de Grote Brokkenpiloot daarboven' of 'de B.V. Op Eigen Benen staan' uit 'Laatste gedichten' tref je in deze nieuwe bundel niet meer aan. Ook zijn voortborduren op het werk van Pessoa, die dankzij de legendarische vertaling van August Willemsen uit 1978 inmiddels een hele generatie Nederlandse dichters lijkt te hebben beïnvloed, doet consistent en serieus aan. Pessoa's naam viel al in 'Laatste gedichten' en in het titelgedicht van 'Monument voor een verzonnen dichter' duikt hij weer op in de persoon van zijn 'heteroniem' Alberto Caeiro. Pessoa's heteroniemen, verzonnen afsplitsingen van hemzelf die hij een eigen naam, biografie en oeuvre heeft meegegeven, zijn een kolfje naar Huigens hand. De begoocheling is nu eenmaal zijn favoriete speelterrein. Hij neemt Pessoa's alter ego zoals de Portugees hem heeft bedoeld: als een verzinsel dat zich als waar en waarachtig heeft gemanifesteerd. Die spanning zit direct al in de eerste strofe:
Vandaag waarachtige tranen gelaten bij het graf van mijn goede vriend en voorbeeld Alberto Caeiro, en me verbaasd over de oprechtheid van mijn eigen onoprechtheid.
Het gedicht beschrijft een verzonnen tocht naar het verzonnen graf van de verzonnen Caeiro, maar daar de laatste niettemin 'reëel' in de wereldliteratuur existeert, grijpen waarheid en verdichting onontwarbaar in elkaar.
Meer concreet neemt Huigen ook de antimetafysica van Pessoa/Caeiro over. 'De enige innerlijke zin der dingen / Is dat ze geen enkele innerlijke zin hebben', schreef Caeiro. Bij Huigen mondt dit buiten enig verband plaatsen van de dingen uit in een luchtigheid, die hij nu eens 'met een zekere gratie' en dan weer 'zo elegant mogelijk' zegt na te streven.
In 'Kritisch punt' uit dit zich in het voornemen 'eens wat minder / zwaar aan jezelf maar / bovenal eens wat minder zwaar aan de dingen te tillen'. Het gedicht 'Ontdekking' propageert deze visie in regels die haar in één moeite door direct weer relativeren: 'Misschien omdat het te zeer / voor de hand lag / een dag een dag te noemen // De dingen bij hun naam / en me zo de wereld voor te stellen // Alsof het om een opzienbarende ontdekking ging'.
Ondanks hun luchtige toon steken Huigens zelfgesprekken, want dat zijn het veelal, intelligent en serieus in elkaar. Op overspannen pretenties valt hij niet te betrappen. En dat terwijl hij zo'n theatraal fenomeen als het illusionisme welbeschouwd heel natuurlijk op de planken weet te zetten. Dat doet toch niet iedereen hem na.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.