*

 
dossier

Archief

Heeft het orgel nog toekomst

CHRISTO LELIE − 07/05/98, 00:00

Ook in géén van de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken is dit instrument te vinden. Was dat 25 jaar geleden al een eerste symptoom dat het orgel zijn tijd gehad heeft? Dat lijkt niet aannemelijk, want het Liedboek stamt nog uit de traditie waarin de kerkzang door orgel begeleid wordt.

Toch verloor het orgel al vlak na de invoering van het Liedboek wel deels zijn monopoliepositie ten gevolge van de opkomst van de piano en ander instrumentarium, zoals gitaar en instrumentale ensembles.

Die werden ingezet bij de nieuwe vorm van kerkmuziek, geïnitieerd door dichters en componisten uit de rooms-katholieke wereld, waar sinds het Tweede Vaticaans Concilie ruimte geschapen werd om in eigen taal de eredienst vorm te geven. De bekendste exponenten hiervan waren de dichter Huub Oosterhuis en de componisten Bernard Huijbers en Antoine Oomen. Bij hen maakte het strofische kerklied deels plaats voor grotere composities met een laagdrempelige melodische structuur, geschikt voor volkszang, maar veelal met participatie van cantorij en voorzanger.

“Mijn muziek is niet om aan te horen,” pleegt Huijbers te zeggen. Hij doelt er op dat zijn muziek participerend beleefd moet worden, en niet bedoeld is om als autonoom kunstwerk naar te luisteren.

Tegelijk ontstond een wijdverbreide belangstelling voor de op herhaling gebaseerde, meditatieve melodieën afkomstig uit Taizé. Ook hierbij is het orgel niet het instrument dat à priori het meest geschikt is voor de begeleiding.

Ondanks dit alles is in de meeste kerken het orgel nog altijd het meest gebruikte begeleidingsinstrument.

Of het dat zal blijven na het jaar 2000 is afhankelijk van de manier van zingen. Worden de liederen van het type Oosterhuis/Oomen dominant dan zal de piano het orgel zeker gaan overvleugelen, zoals nu bij veel studentengemeentes al het geval is. Hoewel de piano geen liturgisch verleden heeft, is er niets op tegen dit snaarinstrument (dus verwant aan Davids harp) in de kerk te gebruiken. Ook voor solistisch gebruik in de kerk is de piano in principe niet minder geschikt dan het orgel. Een begaafd improvisator kan er wonderen op verrichten.

Trouwens, er is naast de voor piano bewerkte koraalbewerkingen van Bach/Busoni ook enige originele liturgische pianomuziek te vinden bij bijvoorbeeld de late Franz Liszt, diens onbekende tijdgenoot Charles Alkan en bij Erik Satie. Bovendien kunnen eigentijdse componisten voor dit doel muziek schrijven, zoals onlangs de Rotterdammer Willem Blonk deed. Zijn liturgische pianocomposities zullen dit najaar uitkomen bij Gooi en Sticht als appendix van de bundel 'Zing, adem, zing'.

Of de piano en in het kielzog daarvan ander instrumentarium, het orgel zal gaan verdringen is ook afhankelijk van het feit of de schat der eeuwen aan kerkliederen een centrale plaats zal behouden in de liturgie. Het is bijna niet voorstelbaar dat deze afgeschaft zou worden en dan heeft het kerkorgel nog alle kans.

Het heeft bijvoorbeeld anno 1998 van de electronische imitaties minder te duchten dan een tiental jaren geleden. Hoewel de electrotechniek nog steeds verbetert door geavanceerde sample-technieken, moet het eerste electronicum dat een pijporgel artistiek evenaart nog steeds gebouwd worden. Daarnaast is er het effect dat door het Samen op Weg proces en de secularisatie kerken gesloten worden: zo komen er talloze kerkorgels beschikbaar, die ingezet worden als vervangers van de inmiddels versleten elektronicums.

Van de piano heeft het orgel ook weinig concurrentie te duchten als het om het begeleiden van eenstemmige samenzang in strofische liederen gaat. De continue en draagkrachtige toon van een orgel geeft aanzienlijk meer ondersteuning dan de in klank afnemende pianotoon. Afgezien van het feit dat een pianobegeleiding stilistisch gezien niet past bij vrijwel alle overgeleverde kerkliederen, is er het probleem dat op de piano akkoorden gebroken moeten worden om een continue klank te simuleren. Vandaar dat de pianopartijen van Antoine Oomen zo volgrepig zijn.

Een sterk punt van het orgel is het historisch-monumentale karakter dat naar verwachting in het komende millennium niet minder bescherming zal krijgen dan in de jaren '90. Bovendien is onlangs een voorzet gedaan om de orgelbouw een geheel nieuwe kant op te buigen, die de positie van het instrument wellicht kan versterken: vorige maand werd in de rooms-katholieke kerk te Maurik het eerste MIDI-kerkorgel in gebruik genomen. Hierin is een mechanisch pijporgel gecombineerd met een synthesizer.

Dit keer is de electronica geen substituut voor de akoestische toonvorming, maar een aanvulling erop met ongekende mogelijkheden. Die hebben nu al componisten geïnspireerd tot het schrijven van vernieuwende kerkmuziek. Mits niet voor goedkope effecten gebruikt, kan zo'n ontwikkeling een frisse wind doen waaien door de kerkmuziek.

Welk instrument ook wordt gebruikt en of het nu om professionele musici, amateurs of zingend kerkvolk gaat, het blijft te hopen dat men de tekst van Psalm 150 (nu in de berijming van 1968 geciteerd) indachtig blijft: 'Cither, cimbaal, tamboerijn, laat uw maat de maatslag zijn van Gods ongemeten wezen'. Wie die tekst zingt mòet wel kritisch blijven ten opzichte van het instrumentarium dat deze allerhoogste maatslag moet zijn.

mailIcon print |