Het is maar bedroevend, dames en heren lezers/lezeressen. Nog maar koud terug van onze zonovergoten vakanties in Ibiza, Lloret de Mar en New York (voor de minder fortuinlijken onder u, zoals ik, wordt dit vervangen door resp. Wormerveer, Oldeholtpade en Odiliapeel) worden wij weer speelbal van iets vreselijks: De Sportdag, een jaarlijks terugkerende sadistische uitspatting voor het lerarenvolk.
Met een blik vol wreed genoegen en het verse speeksel rond de mond wrijven zij genietend in hun handen, kijkend naar onze langzame aftakeling. Rennend (lees: strompelend) gooien, smijten, springen, huppelen en kruipen wij langzaam onze weg naar het einde totdat de zon ondergaat. De lichamelijke ravage aangericht door verstuikte enkels, gekneusde polsen en gebroken nekwervels alsmede heel veel hernia's is niet te overzien. “Probeer het toch nog maar een keertje”, glimlacht de rector vriendelijk.
Grote toevoeging aan het lijden: de altijd aanwezige en bijzonder beruchte 'fanatieke teamgenoot'. Of ook: The Alien from Planet Dust (zij die zich hier door aangesproken voelen: het is niet persoonlijk, alleen maar een beetje).
Temidden van krampen van de ergste soort, opgenomen in een roes van astmatische aanvallen, hoor je als laatste zweepslag vanuit de verte hun stem: “Harder, nòg harder.”
De rest van het jaar is het lerarenvolk uiterst vriendelijk behulpzaam medelevend en begrijpend. Ze kunnen er weer even tegen. Dat is de functie van zo'n sportdag, en het is dus best de moeite waard. Toch weet ik wel wat mijn persoonlijk Walhalla is: op de tribune zitten zitten van de nieuwe Arena en met een kopje koffie in mijn hand kijken naar de grootste lerarensportdag ooit.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.