Mevrouw Cornelia Goedhart kon haar oren amper geloven. Normaal gesproken was de dokter van de familie dr. Broekma de vriendelijkheid zelf, bijna een lid van de familie. Ontelbare keren had hij koffie met gebak of een glaasje jenever genuttigd in het comfortabele appartement van de familie Goedhart in Oosterbeek. Maar deze zondagmorgen schreeuwde hij ongeneerd als een straatventer vanuit de gang: “heeft één van jullie de griep?” Geschrokken antwoordde mevrouw Goedhart “nee”. Maar in plaats van de trap op te komen ging Broekma door met het schreeuwen van geboden: “ga niet in trams. Ga bij niemand op bezoek. Ontvang geen mensen. Als je je slapjes voelt neem een sterke borrel”. Zelfs voor Cornelia Goedhart weer op adem was gekomen was hij alweer weg, de voordeur hard achter zich dichtslaand.
Ondanks de vrees van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) dat er een gevaarlijke griep uit China aankomt, die de grote epidemieën van 1918, 1957 en 1968 zou kunnen evenaren, is het tamelijk stil aan het griepfront. De organisatie was er gelukkig vroeg bij toen bekend werd dat een driejarig jongetje in Zuid-China het eerste slachtoffer zou zijn geworden van een griepvirus dat onlangs is overgesprongen van kippen naar mensen. We mogen hopen dat de WHO in staat is een nieuwe griepgolf de kop in te drukken, want op een herhaling van de Spaanse griep van 1918 zit niemand te wachten.
Nimmer heeft de griep zo hard toegeslagen. Zelden ook waren de artsen zo machteloos als in 1918. Dokter Broekma was niet de enige arts die panisch reageerde op de opmars van het griepvirus, dat in korte tijd over de hele wereld ruim twintig miljoen doden eiste tweemaal zoveel als de Eerste Wereldoorlog. In Azië vielen vijftien miljoen slachtoffers, Europa telde ruim twee miljoen doden. Vrijwel alle gebieden op aarde werden door de epidemie getroffen, alleen uithoeken zoals Papua Nieuw-Guinea en de Salomons-eilanden bleven gevrijwaard van de Spaanse griep. Dit dankzij het beleid van de Australische regering, die alle schepen die deze eilanden wilden aandoen eerst in quarantaine hield. Dat was het enige effectieve middel tegen het dodelijke virus. De stevige borrel van dokter Broekma geeft aan dat de medische stand met lege handen stond.
Aan de inzet van de huisartsen heeft het niet gelegen, de meesten waren dag en nacht in touw. En doordat veel artsen zelf geveld werden, maakten hun gezonde collega's nog meer overuren: “Elke ochtend hing dokter Willem van der Harst uit Goes tegen de badkamerspiegel, gedrogeerd als een man in shock, diep in slaap, terwijl hij zich scheerde. Elke arts kon hetzelfde verhaal vertellen,” schreef Richard Collier in 1974 in de historische roman The plague of the Spanish Lady. The influenza pandemic of 1918-1919.
Daar kwam bij dat in het pre-Arts en Autotijdperk de dokters zich moesten behelpen met paard en rijtuig. De enkeling die zich in die tijd een auto kon veroorloven, had daar aan het einde van de Eerste Wereldoorlog overigens weinig aan omdat de benzine op de bon was. Tijdens de griepepidemie was het gebrek aan artsen nijpend. Om de werkdruk van de nog gezonde artsen te verminderen werden daarom hoogleraren van de medische faculteiten opgeroepen hun colleges stil te leggen en hun studenten naar huis te sturen. Dan konden zij de huisartsen bijstaan.
Het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde deed tevens de oproep om bijna afgestudeerde studenten in de Medicijnen de huisartsen te laten assisteren. Tegenover de studievertraging stond de praktijkervaring die zij konden opdoen. Niet alle studenten die zich aanmeldden, werden gedreven door filantropische overwegingen. üén van deze zogenaamde 'semi-artsen' bleek bereid te assisteren, maar vroeg het voor die tijd hoge bedrag van vijftien gulden per dag, hetgeen de Utrechtse huisarts Eeftinck Schattenberg de uitspraak ontlokte dat hij hoopte “dat de zucht naar veel geld verdienen niet een algemeene kwaal is onder de aanstaande collega's”.
Verder werden legerartsen ingezet. Zij kwamen, doorgaans onvrijwillig, terecht op het platteland waar veel dorpen door de Spaanse griep zonder geneesheer zaten. Sommige dokters werden wanhopig, zoals de Amsterdamse arts Willem Binnendijk, die zich vertwijfeld afvroeg: “waarom ben ik dokter geworden. Ik kan niets doen om te helpen en straks zijn er geen mensen meer over”.
Die machteloosheid droeg er toe bij dat er allerlei geruchten de ronde deden hoe men zich tegen de Spaanse griep kon beschermen. Naast sterke drank werden aspirientjes aanbevolen, het eten van zure spijzen, gebruik van morfine, het nuttigen van suikerbieten, laxeermiddelen, frisse lucht, roken(!) en, last but not least, inspuitingen met kampfer.
Menig bedrijf trachtte een slaatje te slaan uit de epidemie en adverteerde met lapmiddelen. Een wasserij maakte reclame onder de kop SPAANSE GRIEP: “laat uw beddegoed reinigen en opnieuw opmaken, u voorkomt daarmee verdere besmetting”. Onder dezelfde kop trachtte een Amsterdams assurantiekantoor zijn verzekeringspolissen te slijten “voor het te laat was”. Drogisterijen bevolen speciale Indische kruiden aan en Brocades kwam met een desinfecterende gorgelvloeistof op de markt. Het kruidenvrouwtje Jacoba Maria Wortelboer uit Oude Pekela trachtte munt te slaan uit de verkoop van eigen kruidenmengsels.
Het hielp bitter weinig. Ook in Nederland zaaide de Spaanse griep dood en verderf. In drie golven sloeg de epidemie toe: in de zomer van 1918 met ruim 800 doden en in het najaar, toen de zwaarste klap werd uitgedeeld, met ruim 16.000. In de eerste maanden van 1919 volgde een derde golf en overleden er in Nederland nog eens 2000 mensen aan de Spaanse griep.
In Amsterdam veroorzaakte de plotselinge hoge sterfte in het najaar van 1918 langere wachttijden voor begrafenissen. De epidemie ontregelde grote delen van de samenleving. Beangstigend was dat juist gezonden in de leeftijd van twintig tot veertig de zwaarste klappen kregen. Zwangere vrouwen bleken extra kwetsbaar en “kerels als boomen werden in één dag door de griep weggemaaid,” aldus de tekst voor een advertentie van adbijsiroop onder de kop: “de griep is een windvlaag des doods”.
In de grote steden werd door de vele ziektemeldingen het openbaar vervoer lamgelegd en ondervond de post grote vertraging. Mensen kregen de aanbeveling plaatsen te mijden waar veel volk bij elkaar kwam: in bussen en trams, scholen, bioscopen en theaters kon men beter niet komen. Over de oorzaken van de griep wist men niets, want van het bestaan van zoiets als een griepvirus was men nog niet op de hoogte.
Pas in 1933 werd in Londen het mensen-influenza-A-virus geïsoleerd. Bacillen kende men al wel, en onder onderzoekers was de mening verbreid dat de 'Pfeiffer bacillus' de schuldige was. Die onkunde onder de medici had tot gevolg dat er veel verklaringen voor het uitbreken van de griep werden gegeven: in de rubriek 'kerknieuws' van het Algemeen Handelschblad stond op dinsdag 5 november te lezen dat “het zoo fel om zich heen grijpen van deze epidemische krankheden toch duidelijk nog spreekt voor ons besef, dat de tuchtroede Gods over ons is gekomen”.
Behalve de onvermijdelijke hand van God zag men als mogelijke oorzaak de invloed van de planeet Jupiter die in een ongunstige stand het electro-magnetische veld van de aarde zou beïnvloeden, waardoor kwaadaardige micro-organismen tot ontwikkeling waren gekomen. Weerkundigen gaven het weer de schuld, medici wezen op de kwalijke dampen die vanaf de slagvelden van Europa waren overgewaaid naar de rest van het continent. Luizen, zijdewormen, vergiftigde vis en suikergebrek werden ook als oorzaak voor de verspreiding van de ziekte genoemd.
Juist was slechts de constatering dat het besmettingsgevaar was gelegen in het bijeenhokken van grote aantallen mensen. Die wetenschap kon tot paniekerige toestanden leiden: “de twaalfjarige Geerling Klos, die op een hek in Enschede was gaan zitten terwijl hij in de rij stond voor de melkcouponnen voor de familie, werd plotseling duizelig en viel op de grond. Meteen verspreidden vijftig mensen zich alsof er een bom was gegooid, 'pas op hij heeft de griep'!”
Opeengehoopte mensenmassa's waren duidelijk de oorzaak voor de verspreiding van de ziekte. De Spaanse griep was namelijk over komen waaien met de Amerikaanse militairen die tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog de geallieerden te hulp kwamen in hun strijd tegen Duitsland. De massaal opeengepakte soldaten in de Amerikaanse schepen waren een ideale voedingsbodem voor de verspreiding van de griep naar Europa. Daarbij legde de epidemie curieuze trajecten af. In april 1918 werd de ziekte geconstateerd bij de Yankees die in Brest en Bordeaux waren gelegerd. Vandaar verspreidde de ziekte zich naar Spanje en Portugal, en vervolgens naar Italië en Griekenland.
Het Algemeen Handelschblad berichtte op dinsdag 28 mei dat het Spaanse kabinet getroffen was door de griep, waaraan de epidemie zijn naam dankte. Vanuit Frankrijk verspreidde de ziekte zich naar Zwitserland en Duitsland en kwam via die omweg naar Nederland. Waar de Amerikanen de ziekte vandaan haalden is niet helemaal duidelijk. Een mogelijkheid is dat Chinese koelies de ziekte vanuit Oost-Azië naar Amerika hebben overgebracht, waarmee de 'Spaanse' griep uit dezelfde hoek afkomstig zou zijn als de nu door de WHO aangekondigde influenza en de 'Hong-Kong' griep van 1968.
Mensen, varkens en pluimvee leven in China van oudsher dicht opeen zodat de kans op het ontstaan van nieuwe virussen groot is. De noodlottige tweede golf in het najaar van 1918 was mogelijk een nieuwe viruscombinatie, die voortkwam uit het virus van de eerste golf en een kwaadaardig Afrikaanse ziekteverwekker die in augustus werd geconstateerd in Freetown in Sierra Leone aan de westkust van Afrika.
Freetown was een belangrijk bunkerstation voor de stoomschepen van en naar de Oost. Het Engelse schip de H.M.S. Mantua had de Europese ziekte aan boord die zich in Freetown vermengde met de Afrikaanse influenza. Een retourschip van Freetown naar Engeland, de H.M.S Africa, werd op zijn beurt getroffen door de nieuwe ziekte die vijfenzeventig procent van de bemanning velde. Vervolgens zou de tweede golf zich via de Engelse havens over Europa hebben verspreid.
Op 7 juli sprak het Algemeen Handelschblad de hoop uit dat Nederland mogelijk gevrijwaard zou blijven van de Spaanse griep. Die hoop bleek ijdel. De eerste golf bereikte Nederland rond 10 juli 1918. Het betrof Nederlandse arbeiders uit de Overijsselse gemeente Losser, die even over de grens werkten in Duitsland. Vanuit Dalen in Drenthe en uit het Engelse interneringskamp in Groningen komen de volgende berichten. De ziekte meldde zich op 12 juli al aan de andere kant van Nederland, in Sluis in Zeeuws-Vlaanderen. Op 13 juli heerste de ziekte in Hoensbroek in Zuid-Limburg. Binnen een paar dagen had de Spaanse griep zich over het land verspreid. Een week later komen de eerste meldingen van sterfgevallen in de grote steden binnen. Soldaten en fabrieksarbeiders blijken de verspreiders van het virus. Ook de tweede griepgolf kwam via arbeiders in de oostelijke grensstreek naar Nederland.
Ondanks de 40.000 ziektegevallen en de meer dan 18.000 dodelijke slachtoffers heeft de Nederlandse regering zich nauwelijks met de griepepidemie bemoeid. Zij wilde wel meehelpen om de geruchten te bestrijden dat de middeleeuwse Zwarte Pest zijn rentree zou hebben gemaakt, maar bemoeide zich verder nauwelijks met de zaak. Sommige kamerleden beklaagden zich daarover. Het kamerlid Van Ravensteijn vond dat de regering sanitaire maatregelen zou moeten nemen, maar de verantwoordelijke bewindsman, minister Aalberse van Arbeid, ondernam niets. Hij beriep zich op het advies van de Centrale Gezondheidsraad die bijzondere maatregelen niet nodig achtte.
De Gezondheidsraad ging niet verder dan het doen van algemene aanbevelingen aan de burgers. Die werden opgeroepen volksopeenhopingen te vermijden, huizen te luchten en te zorgen voor schone kleding. De regering was verder van mening dat de gebrekkige voedselvoorziening gedurende de Eerste Wereldoorlog de weerstand van de bevolking had ondermijnd. Daarom overwoog Aalberse de voedselvoorraden van het leger aan te spreken en het broodrantsoen van de bevolking te vergroten.
De stedelijke overheden waren evenmin tot actie te bewegen. Die passiviteit leidde in Amsterdam tot een felle polemiek tussen verschillende medici die in augustus 1918 werd uitgevochten in het Algemeen Handelschblad. In ingezonden stukken werd opgeroepen noodziekenhuizen in te richten, apotheken op zondag open te stellen en het aantal passagiers in de tram te beperken. De discussie spitste zich uiteindelijk toe op de vraag of de lagere scholen niet gesloten zouden moeten worden. Elke dag weer gingen de kinderen immers naar school: “net zoo lang totdat het kind de influenza heeft en in het huisgezin bron van infectie geworden is”.
De Amsterdamse raadsleden, wethouders en medici konden het er niet over eens worden wat nu het verstandigste zou zijn geweest. De verdeeldheid was elders net zo groot. Groningen hield de scholen open, maar in Den Haag en Rotterdam en ook in de provincies in Gelderland en Overijssel werden scholen juist gesloten. Het is de vraag of die maatregel effect heeft gehad. Tenslotte was ook in het oosten van het land het aantal dodelijke slachtoffers hoog. De ziekte sloeg overal in dezelfde mate toe.
In de eerste maanden van 1919 ebde de griep weg en verdween uit het dagelijkse nieuws. De ellende rond de griep stond voor de tijdgenoten niet op zichzelf, maar maakte deel uit van de algehele misère die de eindfase van de Eerste Wereldoorlog begeleidde: miljoenen gesneuvelden, gewonden en invaliden, ineenstortende keizerrijken, ruim twee miljoen vluchtelingen langs de Europese wegen, (dreigende) revoluties, algehele verzwakking van de bevolking, voedselschaarste en rantsoenering. In 1968, bij de vijftigjarige herdenking van de grootste griepepidemie aller tijden werd daarom gezegd: “de wereld stond in lichterlaaie. Wie had er oog voor een binnenbrand?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.