“Er is maar een Nederlandse filosoof van wie een dergelijk boek verwacht mag worden: Ton Lemaire.” De filosoof Hans Achterhuis en de kabouterspecialist Roel van Duijn over paddestoelvrezende Hollanders, het grote vuur voor Balder, muziekkabouters, over panmycisme en de vliegenzwam. Over Ton Lemaire's Godenspijs of duivelsbrood; op het spoor van de vliegenzwam. “Dat alle kabouters geesteskinderen van paddestoeleneters zijn, is enigszins een belediging.”
Nu ligt het echter op mijn tafel en ik moet bekennen dat ik Godenspijs of duivelsbrood; op het spoor van de vliegenzwam in een adem, zij het lang niet altijd met instemming, heb uitgelezen. Er is maar een Nederlandse filosoof van wie een dergelijk boek verwacht mag worden: Ton Lemaire.
In zijn vele publikaties kwamen meer en meer zijn eigen gevoelens en ervaringen, die aanvankelijk als uitgangspunt van zijn theoretische exercities dienden, onverhuld naar voren. Zijn mooie studie De indiaan in ons bewustzijn werd bijvoorbeeld in een autobiografisch essay verbonden met het indiaantje spelen uit zijn jeugd. En ook nu erkent de auteur in zijn voorwoord dat zijn cultuurfilosofische zoektocht naar de vliegenzwam een poging is om een wetenschappelijk antwoord te geven op de vraag uit zijn kindertijd: “waarom wonen de kabouters toch bij de rode paddestoel met witte stippen?”
Achter deze kinderlijke vraag gaat een wijsgerige vraagstelling schuil. Lemaire schrijft sinds zijn tweede publikatie Filosofie van het landschap over dezelfde vraag. Of het nu om het landschap, de moderne economie, niet-westerse culturen, Europa of de vliegenzwam gaat, centraal staat het onbehagen in de moderne technologische cultuur. Lemaire voelt zich hierin niet thuis.
Omdat niet alleen de Nederlandse universiteit maar ook het platteland volgens hem al door het technocratische virus is aangetast, vluchtte hij naar Frankrijk. En zelfs daar gaat zijn zoektocht naar een plaats die zo ver mogelijk afstand neemt van de beschaving voort. Deze gevoelens deelt Lemaire met zijn favoriete filosoof, Jean Jacques Rousseau, aan wie hij in het verleden een doorwrochte studie wijdde. De achttiende-eeuwse vader van de romantiek wilde, in die voor onze begrippen rustige en trage tijd, al terug naar het verleden toen alles beter was. En ondanks zijn beweringen dat het niet om een 'terug naar de natuur' ging, leek het er verdacht veel op.
Net als Rousseau weet Lemaire dat wij niet terug kunnen, althans niet terug naar de natuur. Hij houdt het in dit boek op een terug naar de kennis en wijsheid van de oude sjamanen die dank zij de vliegenzwam in trance raakten. Als cultureel-antropoloog weet Lemaire verdraaid goed dat ook dit gebruik van de vliegenzwam cultuurlijk getekend is. Wij kunnen de natuur alleen via onze cultureel bepaalde vooronderstellingen, visies en gewoontes benaderen. Maar het bloed waar het niet gaan kan. In dit geval komt het in een voetnoot naar boven. Als hij het over roesmiddelen heeft, wijst hij erop dat de vliegenzwam oorspronkelijker is dan de op basis van honing gemaakte alcoloholische drank mede, en zeker dan bier en wijn. Daar zijn meer menselijke aktiviteiten aan te pas gekomen.
Dit lijkt mij historisch juist, al deel ik de impliciete waardering die in deze historische opvolging van roesmiddelen schuil lijkt te gaan niet met de auteur. Als hij echter deze waardering expliciet maakt door te stellen dat 'de vliegenzwam nog volledig natuur is' terwijl wijn al een grote mate van cultivering vereist, zondigt de natuurzoeker zonder meer tegen zijn eigen wetenschappelijke geweten. Op veel plaatsen in zijn boek wijst hij met nadruk op de culturele context en de culturele gebruiken en activiteiten die het nuttigen van de vliegenzwam begeleiden. Pure natuur blijft voor de mens onbereikbaar sinds hij uit het dierenrijk 'gevallen' is.
Ook op andere plaatsen is Lemaire in zijn zoektocht naar het vliegenzwammenverleden van de mensheid wetenschappelijk allerminst overtuigend, omdat ook hier de hang naar het beter geachte verleden hem parten speelt. Ondanks het feit dat hij wilde speculaties als die van Allegro over het christendom als een oorspronkelijke godsdienst van de paddestoel uitdrukkelijk afwijst, kiest hij ze als vertrekpunt voor eigen beschouwingen. Met veel 'mitsen' en 'maren' leidt dit hem tot de voorzichtige conclusie dat er ook in Europa, net als in Siberië en Mexico, aanwijzingen zijn voor een 'vliegenzwammencomplex' van hoge ouderdom.
Wie de lange beschouwingen hierover zorgvuldig naleest, ontdekt dat alle aanwijzingen indirect zijn en dat zij alleen maar zichtbaar worden vanuit de 'panmycistische' benadering, die overal paddestoelen ziet. Voor een onbevooroordeelde lezer die, net als ik, hier nog nooit zijn hoofd over gebroken heeft, komt er in de uitweidingen over bijvoorbeeld de Germanen echt geen enkel bewijs naar voren dat zij fanatieke vliegenzwamgebruikers waren. Lemaire geeft dat zelf toe, maar de aan het panmycisme ontleende vraagstelling brengt hem toch tot wetenschappelijk niet verantwoorde conclusies. De mogelijkheid dat het paddestoelengebruik bij de Germanen zo geheim was dat het letterlijk geen enkel spoor heeft nagelaten, is een wetenschappelijk zwaktebod.
Dat Lemaire gefascineerd blijft door vaak onzinnige speculaties die hij wetenschappelijk afwijst, blijkt tenslotte ook uit zijn woordgebruik. Hoewel er geen bewijs voor is, is voor hem aan het eind van zijn boek de vliegenzwam plotseling 'de heilige paddestoel'. Zonder enige ironie of distantie wordt hier de wetenschappelijk verworpen studie 'De heilige paddestoel en het kruis' van Allegro door het woordgebruik onderschreven.
Het is jammer dat Lemaire door zijn uitdrukkelijke wens om zich binnen de wetenschap op te houden, bovenstaande kritiek over zich afroept. Want wie het minder nauw wil nemen met de wetenschap, en daar lijkt mij geen bezwaar tegen, zal in 'Godenspijs of duivelsbrood' interessante, verrassende observaties vinden. Mijn eigen kijk op de vliegenzwam is er door veranderd.
Plotseling kijk ik ook met andere ogen naar de uitstallingen van paddestoelen die Franse wandelaars in de herfst na wandelingen trots aanrichten. Zij zijn een mycofiel volk en ik begrijp nu waarom zij uren lang over delicatessen die gekweekte champignons en oesterzwammen verre te boven gaan, kunnen uitweiden. Interessant is ook de serie ansichtkaarten over vliegenzwammen waarmee de tekst van 'Godenspijs of duivelsbrood' verlucht is. Ik herkende er vele uit mijn jeugd.
De afstandelijk wetenschappelijke stijl waar slechts impliciet de subjectieve dromen en angsten van de auteur doorheen schemeren, roept tenslotte een dwingende vraag op naar de persoonlijke aspecten van de zoektocht naar de vliegenzwam. Is Lemaire zelf gebruiker? Op de laatste pagina suggereert hij dat in den beginne misschien niet 'het woord' maar 'de paddestoel' was. Desondanks lijkt zijn boek mij eerder het produkt van een gebruiker van woorden dan van paddestoelen. Dat is maar goed ook.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.