'Don Carlo' is nog te zien in Gent op 23, 25 en 27 mei; in Antwerpen 1, 4, 6, 8 en 11 juli.
De kil-zwarte onbuigzame pilaren, die dreigend het schitterende decor van Ezio Frigerio domineren, verbeeldden ook nu weer op mooi wijze de sfeer aan het hof van Filips II: morbide, statisch, verstikkend. De personenregie van Deflo sluit daar prachtig op aan. De enkele heftige fysieke uitbarstingen worden in de kiem gesmoord en teruggebracht tot nobele houdingen, afstandelijke lichaamstaal. In het slotduet tussen Carlo en Elisabeth raken de twee onfortuinlijke geliefden elkaar nauwelijks aan. Een uitgestrekte hand over de tombe van Karel V wordt uiteindelijk vastgepakt; de dood, de geschiedenis staat letterlijk tussen de twee in.
Ook in de massa-scènes (een groots opgezette auto-da-fé en een volksoproer bij de gevangenis van Carlo) houdt Deflo zich in. De mooie plaatjes die hij hier in samenwerking met Frigerio en kostuumontwerpster Franca Squarciapino creëerde, zijn in alles tegengesteld aan de woeste massabewegingen die regisseur Robert Carsen in vergelijkbare situaties op de planken van Vlaanderen ontketent. De zeggingskracht is echter bij beiden even groot.
Misschien is het in Vlaanderen na deze herneming nu tijd om zich te beraden op een werkelijk complete Franstalige 'Don Carlos', waarin ook alle acht nog vóór de wereldpremière in Parijs geschrapte passages worden opgenomen. Dat zou een project zijn, waardig voor de Vlaamse Opera en zijn intendant Marc Clémeur, die ooit een proefschrift schreef over deze opera. In het programmaboek staat nu een interessant artikel van zijn hand, dat de wens om een volledige versie te zien alleen maar doet toenemen.
Vooralsnog doen ze het in Vlaanderen met de Italiaanse versie in vier akten, dus zonder de eerste akte in Fontainebleau. Interessant bij hernemingen als deze zijn de invullingen van de rollen. Wederom is het Clémeur gelukt om nieuwe zangers te vinden die indruk maken en op weg lijken naar een grote internationale carrière. Zo is daar de Amerikaanse tenor Marcus Jerome Haddock in de titelrol. Zo is daar ook de Hongaarse sopraan Gyöngyi Lukács, die de oorspronkelijk aangekondigde Barbara Madra als Elisabetta vervangt. En zo is daar zowaar de wereldberoemde bas Evgeny Nesterenko, die als Filippo II een zeer grote indruk achterlaat.
Nesterenko koppelde een zeer overtuigende toneelprésence (zijn lichaamstaal paste perfect bij de gekwelde vorst) aan een nog steeds overrompelende stem. Zelden hoor je een Filips wiens stem zo overtuigend past bij de autoriteit die de vorst moet uitstralen. Vooral de diepe laagte van Nesterenko's stem zorgde voor opwinding, maar even verbluffend was het gemak waarmee hij ook in de hoogte kon donderen. Haddock klonk subliem jeugdig, klaroenachtig als Carlos; ook hij wist de dieperliggende gevoelens van zijn personage hoorbaar te maken. Met Lukács zong hij een verpletterend slotduet, opgebouwd vanuit intieme, volklinkende halftonen. Lukaás had de waardigheid, zowel vocaal als theatraal, van de ongelukkige vorstin. De stem liet geen noemenswaardige problemen horen en triomfeerde aan het slot met een opwindende hoge b, fel boven het orkest uitgezongen. De Noorse bas Carsten Stabell zette een voor zijn leeftijd zeer geloofwaardige Groot-inquisiteur neer.
Met de bekende portretteringen van Marcel Vanaud (een schitterende Posa) en Livia Budaï (ondanks verlies van soepelheid nog steeds opwindend als Eboli) was deze 'Don Carlo' wederom een geweldige muziekdramatische ervaring. Stefan Soltesz leidde zijn zoveelste Verdi-partituur met totale overgave.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.