INZELL - ISU-president Ottavio Cinquanta en zijn vice-voorzitter Gerhard Zimmermann riepen het in koor: de eerste gecombineerde wereldkampioenschappen allround voor mannen en vrouwen waren een eclatant succes. Maar tegelijkertijd kondigden ze voor de nabije toekomst - nog voor de eeuwwende - een grondige renovatie van het evenement aan.
Het grote deelnemersveld, 41 mannen, 28 vrouwen, en de door de slechte weersomstandigheden noodzakelijke extra dweilpauzes maakten van het toernooi een haast draconische marathonzit. Daar werd geen toeschouwer vrolijk van, concludeerde Zimmermann in iets diplomatiekere taal. En de televisie heeft al helemaal geen boodschap aan een winterse variant op het testbeeld. De internationale schaatsunie wil na 1998 een compact WK voor beide seksen, dat inclusief de baanverzorging niet meer dan drieënhalf uur in beslag neemt. De kwaliteit gaat het eindelijk winnen van de kwantiteit. De ommezwaai in denken moet op een congres nog bekrachtigd worden, maar Cinquanta en Zimmermann lieten er geen twijfel over bestaan de discussie over dat heikele onderwerp slechts één richting op te zullen sturen.
In veel, vooral kleine takken van sport, is een wereldkampioenschap vaak een gruwel. Ieder lidstaat, van grootmacht tot dwerglandje, moet gekoesterd worden om een sport mondiaal te kunnen noemen en, wat nog belangrijker is, de sticker 'Olympisch' erop te plakken. Veel vaker dan goed is voor de kwalitatieve ontwikkeling van de sport, in dit geval langebaan schaatsen, worden er consessies gedaan. Door naast het Europees kampioenschap ook separate titeltoernooien voor Amerika, Azië en Oceanië te creëren, kan de ISU scherpere selectienormen voor een WK hanteren dan alleen een voor de oorlogse tijdlimiet.
“Als je van mening bent dat de WK te lang duren, moet je een alternatief aandragen”, zegt Cinquanta. “De ISU stelt zich ten doel het schaatsen in meer landen dan alleen Nederland populair te maken en te ontwikkelen. Diezelfde landen zullen zich afvragen waarom ze daar tijd en energie in moeten steken wanneer ze niet aan wereldkampioenschappen deel mogen nemen. Voor hen willen we een continentaal titeltoernooi creëren. Volgens de huidige formule hebben schaatsers buiten Europa maar één allroundtoernooi. Straks kunnen we tegen de minder getalenteerde schaatsers zeggen: jullie hebben in ieder geval één grote internationale competitie.” Bij de 'regionale' kampioenschappen zal dus de kwantiteit voorop staan, bij de WK de kwaliteit. Maar die gedachtengang vindt de Italiaanse voorman van de ISU wat al te zwartgallig: “Ik praat liever in termen van kwaliteit en superkwaliteit.”
Schaatsen kent naast het bijhouden van rondetijden nog een andere dimensie: stelselmatig zoeken naar spelden in een hooiberg. Elk lichtpuntje wordt door oom Ottavio als kerstkindje geknuffeld. Voormalig shorttracker Andrew Nicholson uit Nieuw-Zeeland, Cedric Kuentz uit Frankrijk, de Amerikanen die onder leiding van Gerard Kemkers langzaam progressie maken (vorig jaar haalde alleen Tamburrino de top-twaalf, nu mocht ook KC Boutiette de tien kilometer schaatsen) en uiteraard de Japanners, die hun geplande machtsgreep overigens moesten uitstellen tot latere datum; wellicht de WK in eigen land (Nagano) in 1997. Dit jaar blijven ze, op allroundniveau althans, op het tweede plan steken. Het is de vraag of ze nog zo fanatiek van de partij zijn wanneer de ISU de wereld daadwerkelijk gaat veroveren.
In de huidige denkwereld is er voor de Japanse bond weinig reden veel geld te investeren in een discipline van de schaatssport waarvoor nauwelijks een publiek draagvlak bestaat. Met het oog op de Olympische Winterspelen van 1998 is het kweken van midden- en lange afstandrijders iets als het ontwikkelen van een revolutionair soort waspoeder. Een wegwerpprodukt dat in korte tijd op de markt moet worden gedropt. De grondgedachte wordt fraai verwoord door bondscoach Akira Kuroiwa: “De sprint beheersen wij tot in de perfectie, maar de lange afstanden zijn voor ons een groot mysterie. Omdat er toch veel raakvlakken moeten zijn, waren we benieuwd of we ons in die discipline ook met de wereldtop kunnen meten.”
Dus gingen de Japanners op onderzoek uit. Buitenlandse trainers (uit de vroegere DDR en Sovjet-Unie) en schaatsers (zoals de Nederlander Marnix ten Kortenaar) werden naar het land van de rijzende zon gehaald om lezingen te houden en techniektrainingen te verzorgen. Alles werd minitieus genoteerd, zodat de Japanners algauw de schaatsende kopieermachines werden genoemd. “In het seizoen 1984-'85 verbleef een Japanse trainer bij ons om onze werkwijze te bestuderen”, herinnert de Noorse bondscoach Sletten zich nog. “Toen is het proces al gestart.” Dat strookt niet met de uitlating van Kuroiwa dat hij en zijn collega's voortdurend zelf het wiel moeten uitvinden. “Doordat we het Engels nauwelijks beheersen, kunnen we nooit anderen om informatie vragen.”
En uitwisselen, zou de gebrekkig Engels sprekende Kuroiwa er aan toe kunnen voegen. Het lijkt een excuus om niet met de billen bloot te hoeven. De schaatsers onderling communiceren beter met elkaar. “Ik vind ze best vlot”, zegt Ids Postma. “Tegen ons praten ze meer dan tegen jullie. Waarover? Gewoon wat ouwehoeren. Niet over de manier waarop wij en zij trainen. Als ze dat zouden vragen, kregen ze van mij ook niet meer te horen dan dat we best hard trainen.” Wopke de Vegt, de privé-coach van Rintje Ritsma, weet te vertellen dat de Japanners veel systeemtraining doen. “Vijf kilometer is twaalf rondjes en een opening; dat weten ze en daar trainen ze op. Nieuw is dat niet. Wij gebruiken die vorm ook.”
Des te opener is Kuroiwa, wereldkampioen sprint in 1983 en '87, over de organisatiestructuur. Iedereen mag weten dat de schaatsers fabrieksrijders zijn en dat er op drie universiteiten in Tokio schaatsscholen zijn opgericht die als een onuitputtelijke kweekvijver fungeren. Kuroiwa staat als kantoorbediende op de loonlijst van de bouwonderneming Kokudo. Tien maanden per jaar wordt hij vrijgesteld voor trainingsaktiviteiten. Kuroiwa is in feite de Wopke de Vegt van Shirahata. De nummer drie van de wereld staat officieel nog als student ingeschreven bij de Senshu-universiteit in Tokio, maar tekent binnenkort een arbeidsovereenkomst met Kokudo. Zijn 'aanvangssalaris' bedraagt 80 000 gulden. Op hun verzoek begeleidde Kuroiwa in Inzell ook de twee andere WK-gangers. De fabrieken pompen gezamenlijk drie miljoen in het Japanse langebaanschaatsen. Met dergelijke bedragen worden ook skispringers en alpineskiërs voorbereid op de Winterspelen van Nagano. Die paradijselijke korte termijnpolitiek doet vermoeden dat de commerciële waarde van de schaatsers na 1998 snel devalueert.
Een niet te onderschatten sportief probleem vormt een bedreiging op nog kortere termijn. Japanse schaatsers blijken geprogrammeerde sportlieden te zijn. Zodra ze tijdens toernooien moeten inspelen op nieuwe ontwikkelingen, slaat de radeloosheid toe. Kuroiwa kent dat spookbeeld nog uit zijn eigen sprintcarrière: “In 1984 was ik één van de favorieten voor de Olympische titel. Ik was echter zo zenuwachtig dat ik volledig faalde.” Kuroiwa ging te rade bij een psycholoog en brengt de aldaar opgedane ervaringen nu in de praktijk. Hij schotelt zijn pupillen een probleem voor en draagt ze op zelf een oplossing te bedenken. Hij refereert in dit verband aan een levensechte case. “Na de val van Dan Jansen op de 500 meter tijdens de Winterspelen van Lillehammer, werden opeens vier Japanners favoriet voor het goud. Maar niemand wist hoe ze met die nieuwe situatie moesten omgaan.”
Dat was afgelopen vrijdag ook het probleem met Noake op de 5000 meter, toen Postma hem in een andere dan de perfect ingestudeerde rol dwong. “Daar komt bij”, vertelt de Nederlandse vrouwencoach Ab Krook, “dat ze momenteel ontzettend veel experimenteren. Wanneer iemand plotseling heel goed schaatst, weten ze niet meer hoe dat komt.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.