In het midden van de jaren zeventig voorspelde toenmalig VVD-leider Hans Wiegel een tweedeling in de Nederlandse politiek. De christen-democratie zou geleidelijk afbrokkelen en rond PvdA en VVD zouden zich een sociaal-democratisch en een liberaal blok vormen. In dezelfde tijd beklaagde de liberale senator Van Riel zich openlijk over partijdigheid van koningin Juliana. Hij verdacht haar ervan PvdA-leider Den Uyl in het Catshuis te hebben geholpen. De aanhang van de VVD moet de afgelopen dagen een sterk gevoel van déjà vu hebben gekregen.
VVD-senator Luteijn herhaalde vorige week zaterdag op het congres van zijn partij in Ede de voorspelling van Wiegel en bij dezelfde gelegenheid nam VVD-leider Bolkestein wraak op koningin Betrix vanwege haar onder liberalen als partijdig ervaren vijf-meirede. Bolkestein deed dat zeer subtiel en lang niet zo openlijk als Van Riel. De monarchie is dan ook dankzij het koningschap van Beatrix anders dan twintig jaar terug onomstreden.
Wat opvalt zijn de constanten in het gemoed van de liberalen. Zij houden nog altijd vast aan de theorie van VVD-oprichter Oud, die voorzag dat de partij ondanks golfbewegingen zou uitgroeien tot een grote volkspartij met aanhang onder alle lagen van de bevolking. De tweede constante is dat de spanning tussen de liberalen en Oranje, die diepe wortels heeft, nog onverminderd bestaat. Zou het één niet met het ander verband houden?
Het lijkt niet erg realistisch om juist nu te speculeren over een tweedeling. Het krachtenveld is verbrokkelder dan ooit en de oude aartsvijanden VVD en PvdA werken zelfs met elkaar samen. De schijn kan echter bedriegen. De paradox kon wel eens zijn dat wat met de polarisatie in de jaren zeventig niet lukte, het opblazen van het confessionele midden, thans door samenwerking tussen de polen wel slaagt. Die samenwerking zou, bijvoorbeeld, aan het licht kunnen brengen dat de typische midden- of brugpartijen CDA en D66 overbodig zijn.
De democraten van Van Mierlo slagen er door hun pragmatisch opereren niet in binnen de paarse coalitie een eigen gezicht te tonen. Voor het CDA, buiten de regeermacht, geldt vooralsnog hetzelfde. De partij heeft nog lang geen orde op zaken gesteld. De verwarring omtrent haar toekomst lijkt zelfs groter dan twintig jaar terug, toen zich tenminste nog het perspectief van één partij aandiende. Het CDA moet nu, op zichzelf teruggeworpen, zijn wezenlijke kracht bewijzen. Maar in plaats van samenbindend en integrerend werkzaam te zijn, raken de christen-democraten meer en meer ten prooi aan desintegratie. De herlevende strijd tussen de oude bloedgroepen toont dat.
Deze strijd kan veel desastreuzer voor de partij uitpakken dan nu misschien lijkt. Het rampzalige schuilt daarin, dat de onderlinge haarkloverijen het appèl van het CDA op de samenbindende krachten en structuren in de samenleving volledig onderuithalen. Die oproep kan niet geloofwaardig zijn, als katholieken, gereformeerden en hervormden binnen de partij elkaar openlijk naar het leven staan. De zeggingskracht van het CDA neemt daardoor af en als gevolg daarvan het vertrouwen van de kiezers in de brugfunctie die de partij nog altijd zegt te willen vervullen.
De christen-democraten hebben tot nu toe aan die functie hun bestaansrecht ontleend. Kunnen zij die functie niet meer vervullen - in de oppositie is dat al veel lastiger -, dan wordt ook de bodem onder de keuze voor een eigen politieke koers weggeslagen. De eerste CDA-leider, Van Agt, riep in het begin van de jaren tachtig nog zelfbewust 'we buigen niet naar links en we buigen niet naar rechts'. Nu zegt partij-ideoloog Van Gennip: 'We komen op sommige terreinen rechts uit, op andere links.'' Dat is wèl wat anders. Zodra de kiezers dat door hebben zullen ze, afhankelijk van waar hun hart ligt, zeggen: ik stem wel meteen VVD of PvdA.
Ondergraaft het CDA dus al zelf zijn fundament en maakt de oppositierol de verwarring extra groot, er beuken ook van buiten krachten op de partij in. Een van die krachten is de VVD van Bolkestein, die twee jaar geleden de aanval inzette op de overlegeconomie, een van de pijlers van een samenleving naar christen-democratisch model. In die aanval kan het verband worden gezien tussen het streven van de VVD naar een tweedeling en de spanningen tussen deze partij en de monarchie.
De wijze waarop Bolkestein tijdens de algemene beschouwingen van 1993 die aanval inzette, maakt dat verband wat duidelijker. Hij keerde zich bij die gelegenheid tegen onze neiging tot wikken en wegen en passen en meten. “Dat past niet meer bij deze tijd en doet eerder denken aan de pruikentijd aan het einde van de 18e eeuw. De saletjonkers die toen de toon aangaven, stonden garant voor immobilisme en starheid. Zij waren onmachtig in het zicht van de Franse revolutie. Ook nu staan wij weer voor een revolutie, namelijk die van de internationale concurrentie. Onze cultuur van plooien en schikken past niet meer bij de grote vraagstukken waar ons land voor staat.”
Hoewel dat destijds niet zo is opgemerkt, plaatste de VVD-leider zich met die uitspraken in de traditie van de patriotten, een beweging die de Oranjes twee eeuwen geleden nachtmerries bezorgde. De patriotten, die aanhang hadden onder zowel burgers als Hollandse patriciërs, kwamen op voor invloed van het volk op het bestuur. Zij keerden zich, geïnspireerd door de Amerikaanse vrijheidsoorlog, tegen de Oranje-hegemonie en ijverden voor een republiek zonder Oranje. Hoewel ze daarin niet slaagden, gaven de patriotten in feite de eerste stoot tot de ontwikkeling van Nederland tot een parlementaire democratie. De liberaal Thorbecke legde daarvoor een halve eeuw later de grondwettelijke basis door de macht van de koningin fors in te perken.
Vanuit de geschiedenis is het dus begrijpelijk dat het tussen de liberalen en Oranje niet zo botert. Niet dat de huidige VVD, hoewel die sentimenten er anders dan bij de christen-democraten nog wel zijn, voor een republiek ijvert, maar aansturen op een tweedeling die de invloed van de koningin op de politiek sterk zou reduceren, moet de Oranjes niet vrolijk stemmen.
Op het eerste gehoor gaf Bolkestein vorige week geen nieuw voedsel aan de latente spanningen, toen hij opmerkingen maakte over de 5-meirede van de koningin. Hoewel over die rede in zijn gelederen flink is gemord, omarmde hij de oproep van Beatrix tot saamhorigheid. Hij stelde vast dat er een diep menselijke behoefte bestaat zich deel van 'n gemeenschap te voelen.
Maar er zat een addertje onder het gras, toen hij voorstelde om die behoefte aan te duiden met het begrip 'patriottisme'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.