Veel moslims zijn bang dat ze, via de internationale legitimiteit van de Verenigde Naties, een ethiek krijgen opgedrongen die ze niet willen. De conferentie in Peking heeft daarom in de islamitische wereld de gemoederen in beweging gebracht. Onderstaande commentaren stonden onlangs afgedrukt in het internationale Arabische week Al-Majalla, dat in Londen uitkomt en wordt verspreid in de hele wereld. Een 'liberale' bijdrage uit Saoedi-Arabië, met als boodschap dat de islamitische wereld iets moet doen aan de misstanden waar westerse organisaties op wijzen. Al blijven hun doelstellingen verdacht, sommige van hun ideeën komen aardig overeen met de Koran. De tweede bijdrage, uit Egypte, is van het klassieke soort. Als vrouwen om rechten vragen moeten ze de Koran bestuderen, daarin vinden ze alles, en propagandisten van ongebreidelde vrijheid zijn dienaren van de duivel. Hassan Bin Hoessein Al-Mahna is verbonden aan de Koning Fahd-universiteit voor olie en mineralen, Zahran, Saoedi-Arabië. Vertaling Eildert Mulder.
Ik geloof dat wij als moslims die zaak niet goed hebben benaderd, vanuit islamitisch oogpunt, of vanuit het oogpunt van voorlichting. We verwarren maar al te vaak de islam met de moslims. Maar het gaat om twee heel verschillende dingen. We kunnen daarover niet praten alsof het om een en hetzelfde gaat. De islam is een allesomvattende geloofsovertuiging, terwijl wij moslims moslims zijn, hetzij in naam of door overerving, veelvoudig als het schuim van een wolkbreuk.
Velen van ons brengen van de islam alleen datgene in praktijk wat overeenkomt met hun verlangens of aard. Daarom plegen wij een groot misdrijf tegen onze godsdienst (erger dan de misdrijven van anderen) wanneer we de islam opzadelen met al onze ballast en onze fouten, en de gevolgen van onze achterlijkheid.
We geven daarvan één voorbeeld. De krant Ash Sharq Al-Awsat publiceerde op 8 september een artikel over een studie van Dr. Amina Noesair, dekaan van de faculteit van islamitische en Arabische studies aan de Al-Azhar-universiteit. Ze zei daarin dat de islam aan de vrouw solidere rechten heeft gegeven dan de internationale handvesten.
Ze vroeg aan de islamitische natie om de wereld op de hoogte te brengen van de islamitische wetgeving op het terrein van de rechten van de vrouw. Maar toen ze voorbeelden gaf van de rechten van de vrouw kwamen die allemaal uit de tijd van de Gezant (God zegene hem) en de rechten die de metgezellinnen opeisten of genoten. Maar ze meldde niets over de vrouwen die nu in deze tijd leven, en die onder talloze problemen lijden, ook al zijn de problemen van sommige van die vrouwen op een islamitische manier opgelost.
Zoals ik het zie gaapt er een kloof in begrip of de manier van uitdrukken tussen ons en de anderen. Er is niemand op de conferentie in Peking die bijvoorbeeld zegt dat de metgezellinnen van de profeet niet vrij konden beschikken over hun kapitaal. En niet één van de westerse vrouwen stelt er belang in wat er veertien eeuwen geleden is gebeurd. De journalisten en voorlichters dragen hun camera's nu, in de vijftiende eeuw (islamitische jaartelling red.). En ze fotograferen wat er nu gebeurt. Ze registreren alles met stemgeluid en beeld.
En ze zeggen dat de vrouw tegenwoordig verkocht en gekocht wordt in sommige samenlevingen (islamitische en niet-islamitische), en dat kinderen worden aangeboden op de slavenmarkt, in het groot of op afbetaling. En dat mensen door armoede worden gedwongen hun organen te verhandelen, en dan hebben we het nog niet over hun eer. Dat alles gebeurt nu, en daarover praten de leden van de organisaties, en bij mijn weten verschilt de islam in die kwestie niet van mening met die organisaties. Niemand trekt in twijfel dat de islam onrecht absoluut tot taboe heeft verklaard.
Onrecht tegen kinderen is taboe en ook onrecht tegen vrouwen en armen. Het probleem is dat we er geen aandacht aan besteden en erover zwijgen. En als vreemdelingen, en ook mensen die afgeweken zijn, en uitgespuwd door hun samenlevingen, en van wie geen verstandig mens, tot welke godsdienst hij ook behoort, iets moet hebben, die kwesties uitbuiten, verheffen we ons tegen hen en tegen alles wat ze zeggen.
Ook al zijn de leuzen die ze naar voren brengen niet geheel ontbloot van waarheid, ja roept de islam er zelfs toe op. Zoals het verbod op het verkopen van vrouwen, het doden van meisjes vanwege de bruidschat (India en Pakistan), exploiteren van kinderen in gevaarlijke werkzaamheden, ontvoeren en tot slaaf maken van kinderen, de barre manier waarop veel mannen hun recht uitbuiten om voogd te zijn over hun vrouwen.
Het zijn zaken die voorkomen bij veel volkeren, waaronder er ook zijn die de islam als godsdienst aanhangen. Het is verbazend dat we al die zaken veronachtzamen en alleen maar aandacht schenken aan oproepen tot bandeloosheid en afwijkend gedrag, waartoe overigens niet alle organisaties oproepen.
We begrijpen nog steeds niet de omvang en ernst van wat er gebeurt. Als de VN niet achter deze conferentie stonden zouden we ons er misschien niet mee hebben beziggehouden en niet de moeite hebben genomen haar te volgen. Maar we zijn bang dat we ideeën krijgen opgelegd, en beseffen nog steeds niet dat de foutieve en afwijkende begrippen langzaam maar zeker doorsijpelen in onze samenlevingen, als reactie op een realiteit die niet zozeer zijn oorsprong vindt in de islam als wel in gewoonten, tradities. En terwijl die dingen gebeuren spreken we erover en gaan we ermee om met een fout taalgebruik en op een verkeerde wijze.
Vaak protesteren sommige organisaties luid over de uitbuiting van vrouwen en kinderen in het westen. Het is zelfs gebeurd, en wel tijdens het schrijven van deze regels, dat een Amerikaanse organisatie de berechting eiste van een Amerikaans reclamebedrijf, dat een spot had vertoond voor jeans. Daarin waren beelden te zien van een meisje en jongemannen in prikkelende houdingen, half naakt. Toen we daarover vernamen waren we blij en we wisselden blikken en felicitaties uit omdat we het westen op heterdaad hadden betrapt.
Toch zijn we vol lof over de eervolle houding van die organisatie. Maar als één van die organisaties zegt dat islamitische meisjes in dat of dat dorp in Bangladesj of India helemaal worden uitgesloten van de erfenis, en na de dood van hun man moet bedelen of hoereren om haar kinderen in leven te houden, of iets soortgelijks, hebben we het over de rechten van de vrouw in de islam, zonder dat we iets doen om die toestand te verbeteren.
En als zulke organisaties leningen geven aan die vrouwen om een naaimachine aan te schaffen of een stuk vee, zodat ze op een eervolle manier kunnen voorzien in hun levensonderhoud, zeggen we dat de bedoelingen van die organisaties verdacht zijn.
Ja, veel van die organisaties streven verdachte doelstellingen na, maar wij als moslims hebben met ze samengewerkt en ze geholpen om die doelen te bereiken, zonder het te weten. We hebben de weduwen en kinderen verwaarloosd, tot deze verwordenen kwamen en veinsden alsof ze die vrouwen met hun hulp wilden verlossen van onrecht en armoede, en hun een stralende toekomst wilden bezorgen. Maar laat elk van ons weten dat, als we ermee volstaan die organisaties te beschimpen, en te beschrijven als vijanden van de islam, veel van de ellendigen, armen en behoeftigen in de hele wereld, met die organisaties zullen sympathiseren. Ze zullen voor ze partij trekken, en de islam frontaal rammen, omdat de arme en behoeftige maar een belang heeft, verzadiging na de honger, en veiligheid na de angst.
Het is onze plicht als moslims om de islamitische actie te ontwikkelen, maatschappelijk, psychologisch en economisch. Wat we zeggen is geen nieuwlichterij. Er kwam eens een man naar de profeet (God zegene hem) en kreeg van hem twee dirhams. De profeet vertelde hem wat hij ermee moest doen. Hij beval hem om met de ene dirham eten te kopen, en met de andere een bijl om hout te hakken, zodat hij niet meer hoefde te bedelen. Daarin ligt voor ons, als we er diep over nadenken, een wijze richtlijn, omdat de profeet niet zomaar aan liefdadigheid deed, maar ook het vraagstuk van de armoede bij de wortels aanpakte, en een definitieve therapie aanreikte.
Ach, als we toch maar onze troost zochten bij de Gezant (zegen ruste op hem) en zijn voorbeeld zouden volgen, en het probleem van de armoede vanaf de basis zouden aanpakken, en het niet zouden overlaten aan mensen die eraan proberen te verdienen, als we dat zouden doen zouden we de anderen voor zijn in het beiden van troost aan de armen en het lenigen van de nood van de behoeftigen, en het doen verstommen van de jammerklachten van de berooiden, en dan zouden de vreemdelingen zich alleen nog maar kunnen hullen in het kleed van de oneer en de schande.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.