Schaatsen en wielrennen horen bij elkaar. Qua conditionele opbouw en spierbelasting liggen deze duursporten in elkaars verlengde. In het laatste decennium van de vorige eeuw werd dat al onderstreept door Jaap Eden.
Deze Groninger werd wereldkampioen op de schaats in 1893, 1895 en 1896 en wereldkampioen wielrennen in 1894 (10 kilometer) en 1895 (sprint). Veel later bewezen ook jongens als Liebrechts, Karstens en Kleine dat schaatsen en wielrennen goed samen gaan.
Vooral de Nederlandse sportvader Pim Mulier heeft van jongs af aan de combinatie van diverse sporten altijd van harte gestimuleerd. 's Zomers zwemmen, golfen en tennissen, 's winters voetballen en schaatsen - het kon Mulier niet veelzijdig genoeg. De oprichter van vele sportbonden, onder meer de Nederlandsche Voetbal en Athletiek Bond, en de initiator van de Elfstedentocht, had zelf tijd genoeg voor allerlei prettige sportactiviteiten. Van huis uit was Mulier zo welgesteld, dat een vaste baan voor hem nooit een noodzaak was. Vanaf 1885 benutte hij veel van zijn energie voor het vormgeven van diverse sportbonden. Het royale familiebezit stelde hem in staat aandacht te besteden aan een andere hobby: het verzamelen van kristal.
Mulier was niet alleen een sport-official. Hij rende zelf ook gaarne achter het bruine monster en schaatsen was zijn tweede sportliefde. In 1890, toen de Elfstedentocht nog lang geen officieel karakter had, behoorde hij tot de 227 deelnemers die zich in Leeuwarden bij de kastelein Jan Heslinga hadden gemeld voor een tocht over ongeveer tweehonderd kilometer langs de Friese steden. Zijn leven lang heeft Mulier het zakboekje bewaard waarin controleurs in alle plaatsen zijn doorkomst bevestigden. Over de tocht deed hij 12 uur en 55 minuten, maar nog in 1947 zei Mulier dat hij na aankomst te Bolsward een uur en veertig minuten had uitgetrokken voor een bezoek aan een tante. “Ik was die dag niet uit op een recordtijd. Was dat wel het geval geweest dan had ik de tocht in tien uur kunnen volbrengen.” Nochtans was hij de snelste, op 21 decemer 1890.
Achttien jaar nadat Pim Mulier zelf over de Friese ijsvloer was gegaan, kreeg hij het als secretaris van de Nederlandsche Bond voor Lichamelijke Opvoeding voor elkaar de Elfstedentocht officieel van start te laten gaan. Mulier genoot ervan wanneer jongens uit diverse sportdisciplines mee deden. Hij had zich ten doel gesteld de fysieke kracht en het uithoudingsvermogen van de Nederlander eens flink op te peppen. “Dat zal speciaal in militair opzicht van belang zijn.” Na Jaap Eden, die door Mulier zeer werd bewonderd, kende Nederland in het begin van deze eeuw meer veelzijdige sportmensen. Bijzonder was de dubbelrol van Oscar Ridder van Rappard op de Olympische Spelen van 1920 in Antwerpen. Oscar was de rechtsbuiten van het Nederlands (voetbal)elftal dat derde werd en tevens was hij als lid van de atletiekploeg deelnemer aan de hordennummers. Waarschijnlijk de veelzijdigste sportman was een kennis van Pim Mulier: voetballer, schaatser, tennisser Max Tetzner. In 1919 en 1922 werd Max Tetzner Nederlands kampioen hardrijden op de schaats. Het waren de enige jaren waarin hij schaatskampioen kon worden, want natuurijs was er niet in 1920 en 1921 en na zijn tweede kampioenschap vroor het pas in 1929 weer hard genoeg. Toch vierde Max Tetzner ook in 1920 een nationale titel. Hij was de rechtsbuiten van Be Quick Groningen, de studenten-voetbalclub die in de kampioenscompetitie eerste werd voor VOC uit Rotterdam, Go Ahead uit Deventer en UVV uit Utrecht. Max Tetzner was als rechtsbuiten zo goed dat hij het in 1921 en 1922 tot drie interlands bracht. Zijn broer Hans Tetzner, de linksback die in Nederland de buitenspelval introduceerde, droeg acht keer het oranje shirt. In 1929 was er een unieke combinatie van schaatsen en topvoetbal. Max Tetzner, Hans Tetzner, Evert van Linge, Harry Rodermond en Herman Legger haalden in de jaren twintig als voetballers van Be Quick allen het Nederlands elftal. Op 12 februari 1929 stonden zij gezamenljk aan het vertrek van de bizarre vierde Elfstedentocht. De vijf schaatsende voetbalinternationals haalden om veertien minuten voor middernacht gelijktijdig de finish. Hans Tetzner ging met bevriezingsverschijnselen direct door naar het ziekenhuis, waar hij als chirurg werkte en bij Evert van Linge werd een bevroren teen geamputeerd. Hij had het felbegeerde kruisje, maar voetballen ging na die tocht wat lastiger.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.