Surinamers in Nederland zijn niet te vergelijken met Nederlandse Marokkanen en Turken. ,,Historisch klopt het onderzoek van het Instituut voor sociaal-economisch onderzoek (het Iseo) gewoon niet'', zegt Orsine Nicol (50). ,,Wij waren Nederlanders, leerden we in Suriname.''
Uit de voorlopige cijfers van een onderzoek van het Iseo bleek vorige week dat Surinamers het sociaal-economisch de afgelopen vier jaar in Nederland beter doen dan Nederlanders van Turkse of Marokkaanse afkomst.
Nicol, gerontologe (deskundige op het gebied van ouderen) van Surinaamse afkomst, vindt het onderzoek onjuist van opzet. ,,Surinamers hebben zó'n andere achtergrond dan Turken of Marokkanen. Wij zíín geen allochtonen. Elke Surinamer die zich zo noemt, praat slaventaal. Mijn familie heeft al sinds het begin van deze eeuw een speciale band met emigratie naar Nederland.''
Juist die achtergrond, menen ook de onderzoekers van het Iseo, verklaart waarschijnlijk het, relatieve, succes van Surinamers in Nederland. De taal is voor hen, vergeleken met Turken of Marokkanen, geen probleem. Surinamers kwamen vaak naar Nederland om te studeren. Zij kunnen hun kinderen daardoor beter stimuleren om ook goed te leren. Steeds meer jongeren van Surinaamse afkomst volgen een hoge opleiding, Surinamers in Nederland zijn in verhouding minder vaak werkloos en het gemiddelde inkomen neemt toe.
,,De broer van mijn overgrootvader kwam al voor de Eerste Wereldoorlog naar Nederland'', vertelt Nicol. ,,Andere familieleden kwamen in de jaren vijftig en mijn ouders begin jaren zestig. Mijn moeder ging in een ziekenhuis werken, mijn vader kreeg een baan in de bouw. Iedereen wilde naar Nederland, het moederland. Wij waren Nederlanders, leerden wij in Suriname.''
,,Als je Sranantongo sprak, was je 'vernegerd'. Pas hier werd ik 'Surinaamse'.'' Vooral oudere Surinamers voelen die band volgens Nicol nog sterk. ,,Iedereen had een Nederlands paspoort. Veel ouderen zijn juridisch nooit iets anders dan Nederlander geweest. En psychologisch ook: mijn grootouders zongen echt Hollandse liedjes: 'De West en ons vrij Nederland, dat vormt een hechte vriendschapsband, want Suriname en Curacío, zijn één met rood, wit, blauw'. Ze zingen het Wilhelmus beter dan het Nederlands elftal.''
Nicol kwam midden jaren zestig met haar zoontje van een paar maanden naar Nederland. ,,Wij hebben, via mijn oma en mijn moeder, een sterke arbeidstraditie. Je moest studeren, want wie niet werkte, kreeg ook geen vreten, leerden we.'' In Arnhem vormde Nicol met haar familie het eerste 'bruine' gezin in de buurt.
,,Nederlanders vonden ons heel schattig. 'Krullenbol', zeiden ze, en 'dotje'. Ze voelden of de kleur van mijn huid niet afgaf en zeiden dat ze ons mooi vonden. Ze noemden ons niet 'Surinamers' of 'allochtonen', maar, heel mooi: Surinaamse ménsen. Dat was een andere tijd. Ik heb de Hollanders zien veranderen.''
Nicol deed administratief en boekhoudkundig werk, vond later een baan in het onderwijs en bij het maatschappelijk werk. ,,Werk was er eind jaren zestig volop. Ik hoefde geen sollicitatiebrieven te sturen, want je werd gewoon gelijk aangenomen.'' Naast haar werk studeerde ze: eerst sociologie, later gerontologie: ,,Vanwege een altijd al grote liefde voor ouderen.'' Een enkele keer werd achter haar rug om over haar, als Surinaamse, gepraat. ,,Maar altijd nam iemand het voor me op. Dat sterkt je.''
Als gescheiden, werkende, vrouw voedde ze haar drie zoons op. Echt gemist hebben zij hun vader niet, denkt Nicol. ,,Bij ons spelen vrouwen een dominante rol. Alles wordt via de oma, tantes en moeder overgedragen.''
Begin jaren zeventig sloeg de sfeer om. ,,Er kwamen steeds meer zogeheten gastarbeiders en op een of andere manier kwamen Surinamers in het verdomhoekje. Surinamers waren ineens messentrekkers en lui. Plotseling werden Surinamers gecriminaliseerd, zoals dat nu met Marokkaanse jongeren gebeurt. Nederland heeft een zondebok nodig.'' Daarom ook vindt Nicol het onderzoek van het Iseo twijfelachtig. ,,'Marokkanen onderaan de ladder', schrijft de pers meteen. Dat haalt hen zó omlaag. Dat vind ik psychologisch vandalisme. Natuurlijk gaan de mensen zich dan verzetten.''
Alleen bij het zoeken naar werk in haar vakgebied ondervindt Nicol echt hinder van vooroordelen. Bitter: ,,Een gerontologe met een bruin gezicht nemen ze niet aan.''
Verder merkt ze het nog wel eens aan 'kleine' opmerkingen. ,,Een vrouw van het stadsdeelkantoor vroeg aan een vriendin van mij of zij wel wist wat een fotokopie is. Dat soort dingen.'' En een collega van haar jongste zoon, die stage loopt bij een bank, reageerde verbaasd toen bleek dat hij ook regelmatig literatuur leest. Nadrukkelijk leunt Nicol naar voren. ,,Natuurlijk lezen wij ook.''
,,Ik lees nu Connie Palmen, van mijn zoon kreeg ik een boek van Moses Isegawa, ik heb dat van Waris Diri over vrouwenbesnijdenis gelezen en besproken met mijn zoons en nog veel meer. Mensen die zoiets zeggen, vind ik echt dom. Hoe denken ze dat mijn zoon daar gekomen is?''
Claude Caupain (25), Nicols jongste zoon, vindt dat hij ruimdenkend is opgevoed. ,,Er kwamen altijd veel mensen over de vloer, ook Nederlanders. Mijn moeder gaf ons Nederlandse boeken en nam ons mee naar musea en concerten. Thuis werd veel gepraat over maatschappelijke vraagstukken. Wij moesten mee naar protestbijeenkomsten voor vrouwenrechten en moeten de Opzij lezen.''
Veel last van discriminatie had Claude op school niet. ,,In Nijmegen was het allemaal veel socialer en spontaner dan hier in Amsterdam.'' Claude studeert nu human resource en management en is vrijwilliger bij een organisatie voor jongeren van Surinaams-Afrikaanse afkomst. Daar geeft hij onder meer huiswerkbegeleiding. ,,Wij laten zien dat wij Surinamers ook iets kunnen bereiken en dat wij hen daarbij willen helpen.'' Voor Claude zelf is zijn moeder zijn grote voorbeeld.
,,Door keihard te werken en te studeren heeft zij ons sterk gestimuleerd om zo ook wat te bereiken. Ik wil me blijven ontwikkelen en dat doorgeven. Bij de jongerenvereniging en later, als het kan, aan mijn kinderen.''
Nog steeds vinden jongeren van Surinaamse afkomst volgens Claude vaak moeilijk werk. Al hebben bekende Surinaamse Nederlanders als advocaat Spong, Frank Rijkaard en Regilio Tuur het beeld over Surinamers in Nederland wel verbeterd. Zelf wil hij bij een groot bedrijf 'ergens hoog in het management' terechtkomen. Op een sleutelpositie bij personeelszaken. ,,Ik heb tot nog toe mazzel gehad bij het vinden van werk. Maar een jongen die ik ken, werd al na twee weken bij een groot bedrijf zomaar weer de laan uitgestuurd. Ik wil mensen eerlijke kansen bieden.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.