*

 
dossier

Archief

Algerije: de vergeten oorlog voorbij

BERT KOENDERS − 07/01/98, 00:00

De afgelopen dagen laten zien dat ook in 1998 Algerije verder in de barbarij wegzakt. Volgens 'optimistische' schattingen heeft de oorlog in dit land sinds 1992 aan meer dan 70 000 mensen het leven gekost. Pas na de slachtpartijen van vorige week is het voorzichtige voorstel gedaan de EU-trojka van ministers van buitenlandse zaken naar Algiers te sturen.

De Algerijnse bevolking staat in feite alleen en is gijzelaar van het extreem perverse geweld van gewapende groepen en het bijna volledige gebrek aan bescherming door leger en politie. De CNN-factor die de publieke opinie in andere gevallen nog wel eens kortstondig mobiliseert speelt geen rol. Objectieve berichtgeving ontbreekt totaal, regeringsberichtgeving is onbetrouwbaar en journalisten worden slechts mondjesmaat toegelaten. Tegen alle voorspellingen van de Algerijnse Regering in is het moorden in de laatste maanden alleen maar toegenomen. De EU lijkt te capituleren voor passiviteit, bedreigingen van terroristische aanslagen en korte-termijn economische belangen.

Het Algerijnse leger blijkt wel in staat de gas en olie-installaties adequaat te beschermen, politiek voordeel te trekken uit het terroristische geweld in nog te privatiseren gebieden, en de orde te handhaven tijdens verkiezingen, maar laat het verder afweten. Algerije moet nu openlijk worden aangesproken worden op haar gebrek aan bescherming van de burgerbevolking en op de recente rapporten van Amnesty International en andere mensenrechtenorganisaties. Dat is tot nu toe in geen (EU-)verklaring voldoende gebeurd. De oorlog in Algerije hoort terug op een veel bredere internationale agenda, enige jaren geleden ingezet om de relatie tussen de zuidelijke en noordelijke EU-landen met hun instabiele flanken in evenwicht te houden.

Het Algerijnse probleem staat namelijk niet op zichzelf. Het democratisch-deficiet in bijna alle landen in de Maghreb, gekoppeld aan demografische en economische ontwikkelingsproblemen, heeft geleid tot het failliet van de nationalistisch-autocratische politieke systemen in de regio en zal Europa blijven confronteren met politieke en economische instabiliteit in het 'nabije buitenland'.

De Franse regering-Jospin lijkt bereid het zuidelijke monopolie op deze ontwikkelingen te willen 'europeaniseren' en heeft in geval van Algerije althans een begin gemaakt met een verbreding van de discussie die door de andere Europese landen zal moeten worden verdiept. De Franse kwetsbaarheid voor terreur en haar historische rol als kolonisator van Algerije beperken de mogelijkheden van een geprononceerde Franse openbare rol.

Nederland zou in het overleg binnen de EU sterker moeten aandringen op grote druk op President Zeroual om te komen tot verbreding van de dialoog met de oppositie inclusief de FIS. Daarbij moet een koppeling gelegd worden met economische samenwerking en de tweede ronde van de onderhandelingen tussen de Europese Unie en Algerije over een Associatie-Verdrag, waarbij Algerije nu aan zet is. De gesprekken kunnen in de huidige situatie niet ongestoord doorgang vinden zonder (onderzoek naar) effectieve bescherming van de mensenrechten en het begin van een serieuze dialoog.

Een Special Envoy op Europees niveau zou kunnen bevorderen dat àlle partijen elkaar rond de tafel treffen, zonder op de stoel van de Algerijnse overheid te gaan zitten die hier de eerste verantwoordelijkheid heeft. In feite hebben alle constructieve partijen belang bij een derde partij die extremisten kan isoleren. De EU zal dan ook in alle bewoordingen het geweld van de GIA dienen af te wijzen. Een andere prioriteit is het uitoefenen van effectieve druk om meer journalisten in het land toe te laten.

De Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen heeft in September 1997 laten weten dat Algerijnse asielzoekers bescherming moeten genieten. Ook daar kan Europa, en dus Nederland niet omheen.

mailIcon print |