Wat een verademing voor het Nederlandse interieur moet het zijn geweest, toen aan het begin van de eeuw woninginrichters kozen voor lichte, functionele stoelen in plaats van de tot dan toe zo rijk geornamenteerde, in donker hout uitgevoerde zitmeubels. Het binnenhuis werd er radicaal mee veranderd: de drukkende sfeer maakte plaats voor licht en lucht. De functionalistische stijl is sindsdien niet meer verdwenen: in de 20ste eeuw is het de enige dominerende en nog steeds voortdurende stijl geworden.
Over de sombere inrichtingsstijl van de 19de eeuw bestaan heel wat afwijkende meningen. Er bestaat een niet eens zo'n klein publiek dat de 19de eeuw best mooi vindt. Een grote tentoonstelling over 'de lelijke tijd' in het Rijksmuseum werd onverwacht goed bezocht. Ze vormde daarmee een warm pleidooi om de standpunten drastisch te herzien. Het bewijsmateriaal voor die visie is terug te vinden in een studie die J. M. W. van Voorst tot Voorst over het Nederlandse meubel in de 19de eeuw heeft geschreven. Dat boek was twintig jaar geleden een standaardwerk, raakte snel uitverkocht en bleef lange tijd veel gezocht. De tweede, herziene druk komt dus op een goed moment: ze geeft de munitie voor de stelling dat de interieurkunst in de 19de eeuw beslist niet zo slecht was als wordt aangenomen.
Van Voorst tot Voorst onderscheidt in de wirwar van historiserende stijlen behoorlijk wat kwaliteit. Door de periode af te perken tussen 1840 en 1900 laat hij de Empire en de Biedermeier aan het begin van de eeuw buiten schot en hoeft ook niet in te gaan op de reactie aan het einde van de eeuw in de vorm van Art Nouveau en (wat later) Nieuwe Zakelijkheid. Dat de zo geprezen Biedermeier in feite al de aanzet tot de grote lelijkheid vormt - in Frankrijk wordt ze niet voor niets restauration genoemd, terugkeer naar oude waarden - hoeft hij op deze wijze niet meer uitgebreid aan te tonen.
Kwaliteit in het meubilair ziet Van Voorst tot Voorst op het terrein van materiaalbehandeling, het ontwerpvernuft en onderlinge stijlverwantschap, waardoor er veel eenheid in vorm ontstond. Dat laatste is een opmerkelijk gegeven, want algemeen wordt het 19de eeuws meubilair veel stijlonzuiverheid aangewreven.
De Nederlandse interieurkunst is in de vorige eeuw vooral een anonieme kunst geweest. Van Voorst tot Voorst onderscheidde bijvoorbeeld wel producenten, maar vond weinig bijzondere meubelmakers. Van vakwerk is meestal wel sprake, maar naar persoonlijkheid moet je raden. Wie op stoelenjacht gaat en naar typerende stijlkenmerken zoekt, heeft daarom niet zoveel aan dit boek. Je herkent wel de stijlen, maar de maker komt niet in zicht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.