AMSTERDAM - De Arabische staatshoofden lopen op eieren dezer dagen. Misschien hoort de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Madeleine Albright tijdens haar rondreis in het Midden-Oosten wat de koningen, presidenten en emirs echt denken over de kwestie Irak maar wat ze niet altijd hardop durven te zeggen.
Tot nu toe is de reactie van de Arabische wereld heel anders geweest dan na de Iraakse bezetting van Koeweit in 1990. Amerika kreeg toen razendsnel een grote anti-Iraakse coalitie op de been waaraan ook Arabische staten meededen. Egypte en Syrië stuurden zelfs soldaten naar het front. Maar bij de jongste crisis over de wapeninspecties houden de Arabieren zich gedeisd.
Het meeste begrip kan Albright verwachten aan de boorden van de Perzische of Arabische Golf. Daar liggen de rijke oliestaten die niet in staat zijn zichzelf te verdedigen tegen roofplannen van de Iraakse dictator Saddam Hoessein en zijn aangewezen op de Amerikanen. Maar zelfs bij die staten overheerst al dan niet gespeelde terughoudendheid. Alleen Koeweit heeft kleurbekend. Het land dat in augustus 1990 het slachtoffer werd van de dadendrang van de Iraakse dictator Saddam Hoessein en tijdelijk de negentiende provincie van Irak werd, heeft gisteren openlijk steun betuigd aan een Amerikaanse militaire aanval op Irak. Daar ging wekenlang voorzichtig gepraat aan vooraf.
Waarschijnlijk denken de andere Arabische Golfstaten er precies zo over als Koeweit, al hebben zij zich nog niet bloot gegeven. De Amerikaanse minister van defensie William Cohen heeft waarschijnlijk gelijk als hij zegt dat Amerika bij een aanval op Irak ook gebruik zal kunnen maken van vliegvelden in de Arabische Golfstaten. Want ook daar is het trauma van Saddams actie van 1990 nog groot. Het lot van Koeweit had ook die staten kunnen treffen als Amerika niet zo snel had gereageerd.
Dat juist die landen zich tot nu toe zo voorzichtig hebben geuit over de jongste crisis tussen de VN en Irak heeft verscheidene oorzaken. Het kan te maken hebben met een diep gewortelde Arabische politieke cultuur. Daarin passen al te rigoureuze maatregelen niet.
Als het nodig is slaan Arabische landen elkaar soms een bloedneus. Maar het idee van een onvoorwaardelijke capitulatie, zoals de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog eisten van Hitler-Duitsland, is vreemd aan de Arabische politieke cultuur. Het staatshoofd van de Verenigde Arabische Emiraten, sjeik Nahjan, drukte dat in december goed uit. Hij riep de Arabische wereld op om Irak te vergeven. Had ook Europa niet na de Tweede Wereldoorlog Duitsland vergeven?, zo vroeg hij zich ter verduidelijking af. Dat Hitler destijds al dood was terwijl Saddam nog in het zadel zit, meldde de sjeik niet.
Het is overigens niet zeker dat de sjeik zijn vergelijking ernstig meende. Misschien wilde hij Saddam gewoon met Hitler vergelijken maar durfde hij dat niet al te plomp te doen en sleepte hij daarom zijn lof op de deugd van de vergiffenis erbij. Leiders van de rijke Arabische oliestaten aan de Golf hebben reden om op hun woorden te letten. Ze kampen met een sterke binnenlandse oppositie. In Saoedi-Arabië komt die vooral uit de fundamentalistische hoek.
Die maakte er een geweldig propagandapunt van dat het Saoedische koningshuis in 1990 honderdduizenden ongelovige Amerikaanse en Europese soldaten op zijn grondgebied toeliet. Terwijl Saoedi-Arabië toch het land is waar de heilige steden Mekka en Medina liggen. De Saoedische regeerders willen die oppositie niet in de kaart spelen.
Teleurstelling
Andere Arabische landen hebben nog meer reden om niet hard van stapel te lopen. Belangrijke landen als Egypte en Syrië voelen zich teleurgesteld. Syrië maakte in 1990 een politieke reuzenzwaai. Het gold tot dan toe als een van de meest verbeten tegenstanders van Amerika binnen de Arabische wereld.
Door mee te doen aan de coalitie tegen Irak kocht het een aflaat voor al zijn politieke 'zonden'. Het inde maar een deel van de beloning waarop het had gehoopt. In Libanon kreeg het de vrije hand, maar de hoop dat het ook met Amerikaanse hulp de door Israël bezette Golanprovincie terug zou krijgen, ging niet in vervulling. Syrië voelt zich bovendien in de tang genomen door het recente militaire bondgenootschap tussen Turkije en Israël. In reactie daarop zocht het de laatste tijd toenadering tot Irak waarmee het tientallen jaren in onmin leefde.
Zover gaat Egypte niet. Maar ook dat land voelt zich miskend. Ook Cairo kijkt jaloers naar Turkije en gelooft dat Amerika de rol van dat land in de regio versterkt ten koste van Egypte. De Egyptische frustraties over het vastgelopen vredesoverleg tussen Israël, de Palestijnen, Libanon en Syrië liegen er evenmin om.
Ook het Amerikaanse krijgsdoel spreekt niet aan. Als de Amerikanen het doel zouden hebben om Saddam ten val te brengen zou dat iets zijn waar je voor of tegen kunt zijn. Maar de Amerikanen hebben juist gezegd dat het hun niet is begonnen om Saddam. De Iraakse oppositie had dat al langer vermoed.
Over de Iraakse industrie van massa-vernietigingswapens zullen landen als Koeweit en Saoedi-Arabië zich misschien wel zorgen maken. Maar Egypte en Syrië zullen naar Israël wijzen dat honderden atoombommen heeft. En van Syrië staat vast dat het zelf chemische wapens heeft. Ook het verwijt dat Saddam resoluties van de Veiligheidsraad schendt maakt in Arabische kringen geen diepe indruk want dat doet Israël ook.
Het zijn allemaal argumenten die het op straat goed doen. In die straat speelt er ook nog eens een vijandbeeld mee tegen de 'stinkend rijke' en 'gierige' olie-Arabieren, die misschien wel even hartstochtelijk worden gehaat als de Israëliërs. De beelden van Irakezen die hongeren als gevolg van het economische embargo doen de rest. De Jordaanse koning Hoessein gaat dezer dagen dwars tegen de publieke opinie in zijn land in door Saddam keihard aan te vallen. Hij wil vermijden dat hij opnieuw de gebeten hond in het Westen wordt, zoals na de Koeweitse bezetting toen hij onder druk van zijn volk erg veel begrip toonde voor Saddam.
Ook het Egyptische regime is autoritair genoeg om desnoods dwars tegen de mening van 'de straat' of het 'theehuis' in te gaan. Maar het is slim genoeg om dat enkel te doen als het niet anders kan. Aan minister Albright de taak om bij haar bezoek aan Cairo uit te leggen dat de huidige situatie ertoe noopt grote delen van de publieke opinie te schofferen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.