*

 
dossier

Archief

PAPIER IS ONGEDULDIG

ROMANA ABELS − 09/09/95, 00:00

Een krant die gelezen is, wordt weggegooid. Per slot van rekening komt er morgen weer een nieuwe. En omdat kranten toch worden weggegooid, worden ze gedrukt op het goedkoopste, dunste papier dat er bestaat. Dat overleeft de eeuwen niet, merken de conservatoren in het Nederlands Persmuseum en in allerlei bibliotheken. Verzuring slaat toe. Al snel wordt het geel, daarna bruin en nog een tijdje later valt het uit elkaar. Of het gaat schimmelen en rot weg. Of de inkt verbleekt. Daarom komt er nu een nationaal reddingsplan voor oude kranten. Het moeten fanatici zijn geweest, liefhebbers van alles wat gedrukt was, die zo lang alle oude kranten bewaarden.

Aan het begin van deze eeuw was er bijvoorbeeld de journalist D.A. van Waalwijk, hoofdredacteur van het Nieuwsblad voor Neder-land, die inzag dat kranten een onvervreemdbaar onderdeel van het cultureel erfgoed zijn. Van Waalwijk verzamelde alle kran-ten die hij te pakken kon krijgen en legde die in grote stapels in een hoek van zijn huis. Nieuws van den Dag-directeur Beyers deed, in dezelfde tijd, hetzelfde.

Toen de collecties van beide mannen werden samengevoegd, ontstond er een heus Persmuseum. Daarin moesten, zo vonden de journalisten, alle periodieken die ooit in Nederland waren verschenen worden verzameld. De onbezoldigde journalisten en verzamelaars die de daaropvolgende jaren de collectie beheerden, wisten nog maar weinig van de vergankelijkheid van hun materiaal. Ze waren er best zuinig op, maar bewaarden de oude kranten in mappen die van zuurhoudend papier waren gemaakt, in kasten die niet gevrijwaard waren van vocht, schimmel en muizen.

Ze slaagden erin steeds meer kranten aan de collectie toe te voegen: in 1940 was de verzameling gegroeid tot 10.000 exemplaren en in de jaren na de oorlog groeide dat tot 18.000 exemplaren. Toch was het al snel niet meer de bedoeling om àlle kranten bijeen te brengen: de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag heeft al een dergelijke 'depotfunctie'. Het Persmuseum verzamelt vooral bijzondere exemplaren. Extra edities, bijzondere jaargangen, en ook 'realia': relatiegeschenken, affiches en reclamevlaggen. Allemaal historisch heel belangrijk, zegt de huidige conservator, Mariëtte Wolf. Want kun je aan een bonnetje voor de abonnee-werving niet het beste zien op welke doelgroep een krant zich richt, of hoe het 'zelfbeeld' van een krant is?

Wolf heeft talloze voorbeelden. Uit een 'realiakist' diept ze een veelbetekenend Panorama-bierflesje op. De vroegere krantenfanatici mogen dan liefde voor oud papier hebben gehad, van adequate zorg voor het materiaal was bepaald geen sprake. De diverse behuizingen die het Persmuseum in Amsterdam deze eeuw heeft gehad, waren klein en vochtig. Zo rotten de randen van de bijzondere 'Courante' uit 1610 langzaam weg, viel een min of meer vervilte jaargang van de 'Diemer- en Watergraafsmeerse Courante' uit 1710 ten prooi aan barende muizen en brokkelden ook de negentiende-eeuwse papiersoorten in een steeds sterker vervuild milieu steeds meer af.

Pas de laatste jaren, sinds 1989, heeft het vocht geen vat meer op de 18.000 titels van het Pers-museum. Het is gehuisvest in het volledig geklimatiseerde Instituut voor Sociale Geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam. Maar het brokkelen, schimmelen en verbruinen zet door. Nog steeds is het overgrote deel van het materiaal verpakt in het funeste zuurhoudende papier. De door schimmel aangetaste kranten zouden moeten worden gerestaureerd, maar daarvoor is geen geld beschikbaar. Een ontzuringsbehandeling is niet goedkoop en het museum krijgt maar twee ton subsidie per jaar, waarvan ook nog de conservator en al het nieuwe inpakpapier moeten worden betaald.

Voor het stuk voor stuk 'overpakken' van de kranten in zuurvrije mappen is een goedkope dienstweigeraar aangesteld. “Gelukkig komt er nu veel meer aandacht voor het bewaren en behouden van oude collecties”, zegt de conservator. Dat is grotendeels te danken aan het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschappen, dat twee jaar geleden een 'Deltaplan' lanceerde. Met dat plan kwam geld vrij voor het conserveren van museum- en archiefcollecties, en daardoor kwam er ook steeds meer aandacht voor opleidingen van museumconservatoren en voor conserveringsmethoden.

Met veel genoegen las Wolf dan ook vorige week in de krant dat staatssecretaris Nuis van cultuur nu nòg meer geld beschikbaar wil stellen voor het bewaren van krantencollecties, ook al vraagt ze zich af of haar museum van dat extra geld gebruik kan maken. “Wij zijn maar zo'n klein museumpje.”En inderdaad, Nuis bedoelt dat geld meer voor de collecties van bibliotheken, die tot nu toe helemaal geen subsidie kregen voor het onderhoud van hun oude papieren en zelfs geen dienstweigeraar kunnen aanstellen om hun collecties opnieuw in te pakken.

De staatssecretaris liet twee weken geleden aan de Tweede Kamer weten dat de toestand van de kranten alarmerend is. Het coördinatiepunt conserveringsbeleid moet volgens hem snel een plan indienen hoe ons papieren erfgoed kan worden bewaard. Na een onderzoek van datzelfde coördinatiepunt, een samenwerkingsverband van het Rijksarchief en de Koninklijke Bibliotheek, schreef Nuis: “Het algemene beeld dat opdoemt, is zorgwekkend. Omvangrijke delen van het erfgoed dreigen definitief verloren te gaan. De oorzaak ligt bij het verval van het papier. Die drager van ons gedrukte erfgoed verzuurt, verbruint, wordt bros en valt op den duur in snippers uiteen.” Daar kan Wolf dus over meepraten.

De grootste aantasting vindt plaats bij het houthoudende papier dat vanaf de negentiende eeuw goedkoop werd geproduceerd, weet zij. Vanaf dat moment werd de krant echt een gebruiksartikel, dat steeds minder werd gemaakt om te bewaren. Juist dat relatief jongere materiaal dreigt nu aan verzuring verloren te gaan, terwijl een krant uit 1680, gemaakt van voddenpapier, er nog redelijk goed bij ligt. “Met zo'n krant uit de zeventiende eeuw durf ik nog gemakkelijk te zwaaien. Maar die van later datum kun je nauwelijks aanpakken. Die vallen al uit elkaar als je er naar wijst.”

Precies dezelfde zin gebruikt T. Dijksterhuis van de Koninklijke Bibliotheek, als hij over de kranten in zijn Haagse kelders praat. Dijksterhuis, adjunct-secretaris van het coördinatiepunt nationaal conserveringsbeleid, zegt heel tevreden te zijn met de actie van Nuis. Tenslotte heeft hij er jarenlang voor gepleit. “Het Nederlandse papier is zwaar bedreigd”, zegt hij zonder overdrijven. Vandaar het coördinatiepunt, dat ervoor wil zorgen dat niet nog meer kranten verloren gaan. “Op dit moment is het meeste materiaal nog wel in diverse bibliotheken aanwezig, maar kan het niet meer worden ingezien. Omdat het, inderdaad, al uit elkaar valt als je er naar wijst.” En aan een archief dat niet bekeken kan worden heeft een bibliotheek niets. Dijksterhuis en de andere medewerkers van de Koninklijke Bibliotheek onderzochten uitvoerig hoe het materiaal zou moeten worden gerestaureerd.

Zo lieten ze diverse ontzuringsmethoden die in de Verenigde Staten zijn ontwikkeld testen door TNO: die bleken te duur en te bewerkelijk. Mogelijk biedt de allernieuwste methode uit de VS uitkomst: daarmee zouden grote hoeveelheden papier tegelijkertijd kun-nen worden ontzuurd. Maar voordat zoiets ook in Nederland kan, zullen er nog jaren voorbijgaan met testen en onderzoeken. “Voorlopig hameren we er daarom op dat in ieder geval al het materiaal moet worden overgepakt in zuurvrije dozen. Bovendien willen we, opdat de kranten weer kunnen worden ingezien door bibliotheekbezoekers, al het in Nederland aanwezige materiaal op microfilm zetten. Als je zo'n film goed bewaart blijft die nog wel enige honderden jaren goed.”

De Koninklijke Bibliotheek doet nu een proef met die verfilming, die moet leiden tot een conserveringsplan dat in 1998 aan Nuis zal worden aangeboden. Alle kranten die ooit in de regio Den Haag zijn uitgekomen worden verzameld, gesorteerd en op film gezet. De Haagse bibliotheken leveren hun materiaal in bij de Koninklijke Bibliotheek, en krijgen daar een kopie van de microfilm voor terug. Het oorspronkelijke materiaal blijft daarna in de zuur- en vochtvrije kelders van de KB. Om alle Nederlandse kranten te verfilmen, is twintig jaar ingeraamd. In het Persmuseum hopen ze maar dat de bijzondere exemplaren, de advertentiebonnen en de 'realia' niet worden vergeten. Want zonder de extra edities of de advertentiepagina's van een krant kan een pershisto-ricus weinig met zo'n microfilm aanvangen.

mailIcon print |