In India werkt de Nederlandse ambassade al zoals het na de herijking van het buitenlands beleid overal moet: zaken gaan voor de hulp. En het idee van Bolkestein om op termijn alle hulp stop te zetten, oogst ook al bijval: van de Indiase regering.
“Nederland is een klein land”, had Jeurissen in werkelijkheid gezegd. En daaraan had hij haast gewoontegetrouw toegevoegd: “Maar met grote kwaliteiten.” Het is een samenvatting van de boodschap die 'onze man in Delhi' en zijn collega's op de ambassade niet moe worden uit te dragen.
Onlangs kreeg de ambassade in de Indiase hoofdstad een prijs van de gezamenlijke Nederlandse werkgeversorganisaties. De onderscheiding werd gegeven voor de wijze waarop de Nederlandse missie de belangen van het bedrijfsleven heeft behartigd. Uit een enquête onder zakenlieden kwam de ambassade vrijwel unaniem als de beste naar voren.
“We waren verrast”, zegt K. de Beer, de ambassaderaad in New Delhi die ook economische betrekkingen in zijn portefeuille heeft. Zijn collega H. van Santen, eerste secretaris op de economische afdeling, knikt instemmend. Het lijkt op valse bescheidenheid van de heren. Zij immers zijn met de ambassadeur de motor achter de economische promotie van Nederland.
Nog voordat in Den Haag de eerste aantekeningen voor de gisteren gepresenteerde Herijkingsnota op papier waren gezet, hadden de diplomaten in New Delhi een begin gemaakt met een vernieuwing van het buitenlands beleid. Twee zaken staan centraal in die vernieuwing: meer aandacht voor het eigenbelang van Nederland, en afbraak van de muur tussen ontwikkelingswerk en economische belangenbehartiging. De post in India geldt als een proefpost van het nieuwe beleid.
De redenen hiervoor zijn divers. India is momenteel voor minister Pronk het belangrijkste ontwikkelingsland. Jaarlijks trekt hij zo'n 160 miljoen gulden uit voor het Zuidaziatische land - een bedrag dat overigens neerkomt op nog geen kwartje per Indiër. Daarnaast heeft India met het aantreden van de regering van premier Narasimha Rao in juni 1991 een begin gemaakt met het proces van economische liberalisering. De in potentie enorme Indiase markt, tientallen jaren lang beschermd voor buitenlandse produkten, is eindelijk opengegaan. Het liberaliseringsproces gaat moeizaam, maar is onomkeerbaar gebleken.
Uit een vorig jaar verschenen inspectierapport over India blijkt dat ongeveer zestig procent van de Nederlandse bestedingen voor ontwikkelingssamenwerking (OS) nu al terechtkomen bij het Nederlandse bedrijfsleven. Dan gaat het voor een groot deel om klassieke Nederlandse zaken als kunstmest, de bouw van schepen en de baggerindustrie.
Maar de interesse van het Nederlandse bedrijfsleven ligt breder. Milieutechnologie bijvoorbeeld geldt als een sector met veel toekomst. Nu nog wordt die sector in India voor een deel met Nederlands ontwikkelingsgeld gesteund. Daarnaast kent het bedrijfsleven belangstelling voor zaken als infrastructuur - havens, wegen, bruggen - en de agro-industrie.
Minder hulp, meer assistentie via de vrije markt: dat wordt het devies. Het op termijn volledig afbouwen van de Nederlandse ontwikkelingshulp aan India gaat voorlopig nog te ver. Toch loopt ook over dat onderwerp een discussie. In januari gaf VVD-leider Bolkestein, op privé-bezoek in India, te kennen dat wat hem betreft de hulp 'binnen tien jaar' kan worden stopgezet.
Bolkestein wordt in die opvatting gesteund door de Indiase overheid zelf. Steeds meer overheidsfunctionarissen geven te kennen dat zij 'handel' boven 'hulp' verkiezen. Premier Rao liet in zijn toespraak op India's onafhankelijkheidsdag vorige maand doorschemeren dat India, door het toenemend aantal buitenlandse economische investeringen, zelf 'scholen kan bouwen' en de sociale ontwikkeling van het land ter hand kan nemen.
Dat betekent overigens niet dat de komende jaren in India geen behoefte meer bestaat aan directe armoedebestrijding en kennisoverdracht.
“Ik zit hier niet om Nederlandse produkten te verkopen”, zegt P. Kuperus, het hoofd van de afdeling ontwikkelingssamenwerking (OS). “Maar tegelijkertijd kan het geen kwaad op een flexibele manier de grenzen te verkennen tussen ontwikkelingssamenwerking en de particuliere sector.”
Het is het 'aan elkaar snuffelen', een uitdrukking die de diplomaten op zowel de OS-afdeling als de economische afdeling gebruiken. “Als we zakelijke en OS-belangen in evenwicht kunnen brengen, is dat een prestatie”, zegt Kuperus. Voorlopig noemt hij het nog even een 'uitdaging'. Ambassaderaad De Beer valt hem bij. “Je hoeft daarover ook niet moeilijk te doen.”
De Beer: “Met het opbloeien van de Indiase economie is het zaak Nederlandse bedrijven nu een voet tussen de deur te geven. Daarvan kunnen ze profiteren als de Indiase markt werkelijk interessant wordt.” Die markt is met name de Indiase middenklasse, zo'n 200 miljoen mensen. “De Amerikanen, de Britten, de Duitsers: iedereen wil erbij zijn.”
Dus ook de Nederlanders. Dat de Nederlandse ambassade een prijs kreeg voor de promotie van exportbelangen heeft volgens De Beer wellicht te maken met de alertheid van hem en zijn collega's.
Eerste secretaris Van Santen: “We gaan zelf het land in om deelstaten, sectoren en projecten in kaart te brengen. We hebben prima contacten met onze collega's van ontwikkelingssamenwerking. En we besteden veel zorg aan de 'kasplantjes', de bedrijven die hier een eerste poging willen wagen.”
Zakendoen in India geldt als moeilijk. “Het land is bij veel Nederlandse bedrijven nog steeds onbekend en onbemind”, zegt Van Santen. Ook Philips-topman Timmer zei in maart dat Nederlandse ondernemers weinig benul hebben van de potentie van de Indiase 'olifant'.
De Nederlandse export naar India had vorig jaar een waarde van 661 miljoen gulden, een lichte stijging ten opzichte van 1993. De export van India naar Nederland is meer dan een miljard en bestaat voor een groot deel uit technisch hoogwaardige produkten. Het bedrag aan Nederlandse investeringen in India stijgt vlot en lag in de eerste helft van 1994 rond de 150 miljoen.
Op dit moment werken zo'n 150 Nederlandse bedrijven samen met een Indiase partner. Het zijn de ondernemers die zich een weg hebben weten te vinden door het dichte woud van Indiase bureaucratie, overheidsbemoeienis en corruptie. Het betalen van smeergeld valt niet binnen het pakket van de ambassade. De desgewenste voorlichting daarover wel.
Indiase bedrijven met belangstelling in Nederland zijn eveneens bij de diplomaten welkom, al weten zij ook niet wat ze aanmoeten met ontroerende collecties opgezette vlinders of weinig modieuze broeksknopen. Maar het integrale bedrijfsplan van de ambassade voor 1996 ligt al klaar.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.