*

 
dossier

Archief

NIET NOG MEER BLAUW OP STRAAT

ESTHER LAMMERS − 28/03/98, 00:00

“Heb je een lolly voor me?” Enthousiast begroet de 14-jarige Anouk wijkagent Erwin van Laar. “Nee, niet meer”, antwoordt hij. De wijkagent in de Driebergse wijk Hoenderdaal maakt tijdens zijn ronde een praatje met een groepje jongeren. Joviaal wordt hij ontvangen.

“Hij is oke” zegt de 17-jarige Marcel over de wijkagent. “Hij is zelfs een keer met ons meegeweest naar de disco.” Van Laar, een grote, bonkige agent, glimlacht. “Dat heb ik een keertje gedaan, vanwege het contact”, zegt hij. Sinds oktober is hij verantwoordelijk voor deze rustige jaren zeventig koopwoningenwijk. Elke avond komt een groep variërend van 10 tot 30 tieners bij elkaar op een klein en donker speelplaatsje middenin de wijk. “Voor de gezelligheid”, zegt de 17-jarige Marcel. “Omdat ik me thuis verveel en er verder in Driebergen helemaal niets te doen is”, verklaart Boy. Er wordt wat gepraat, gerookt en geflirt met elkaar. Maar de buurt klaagt steen en been, omdat de jongeren overlast bezorgen. Van Laar: “Als je tien meter van je huis elke avond urenlang zo'n groep hebt staan, die met brommers rijden en tegen elkaar schreeuwen, gaat de lol er snel vanaf.” Anouk wijst naar een van de omliggende huizen: “Die man is een keer met een hakbijl naar ons toegekomen en die daar met een mes. Dat is toch niet normaal?”

De spanning in de buurt bereikte met nieuwjaarsnacht zijn voorlopige hoogtepunt. Een paar jongens uit de groep vernielden 's nachts een voortuin van een omwonende. Het was een straf, omdat de man eerder op de avond woedend twee van hen had bedreigd met een mes, nadat er uit balorigheid een strijker in zijn brievenbus was gegooid. Van Laar greep dit incident aan om zijn wijk te leren kennen. Zijn conclusie: “Er is in de hele wijk geen enkele plek waar de jongeren zonder overlast kunnen staan.” Hij schakelde de gemeente in, die nog steeds studeert op een structurele oplossing. Gedacht wordt nu aan het dagelijks openen van de jeugdsoos. Maar daarvoor zal een rijksdaalder entree moeten worden betaald en dat vinden de jongeren te veel. “Dan ga ik niet”, verklaren ze eensgezind.

Het jongerenprobleem heeft de wijkagent maanden beziggehouden. Toch is hij daar niet rouwig om. “Nu ken ik de buurt”, zegt Van Laar. “Je merkt dat het effect heeft. De bewoners weten wie de wijkagent is en waarmee hij bezig is. Dat schept vertrouwen. Maar ik moet nu ook andere zaken gaan aanpakken, zoals inbraken of de fietsendiefstallen bij het station. Want het effect van meer blauw ebt natuurlijk weg als je verder niets doet.”

Contact met de bevolking en structurele oplossingen vinden voor problemen, dat is de kerntaak van de 250 wijkagenten in de regio Utrecht. Ze worden daartoe getraind op het Scholings- en Selectieinstituut De Boskamp in Leusden. Geen pleisters meer plakken, maar de oorzaken oplossen. Met een speciaal ontwikkeld lesprogramma 'Action learning' krijgen zij een training om systematisch met problemen om te gaan. “Als je een probleem van diverse kanten kunt benaderen, komt ook de achterliggende oorzaak naar boven”, zegt coördinator Louis Sessink van De Boskamp. “Hanggroepjongeren domweg wegsturen, lost niets op. Ze gaan dan gewoon ergens anders staan.” Agenten leren ook dat zowel bewoners als instanties moeten worden betrokken bij wijkproblemen. Sessink: “De agent wordt een sociaal-regisseur. Hij signaleert, analyseert, bedenkt oplossingen en probeert met anderen het probleem op te lossen. Vuiloverlast kan bijvoorbeeld veroorzaakt worden doordat de vuilophaaldienst te weinig bakken in de wijk heeft neergezet.”

Bewoners moeten ook zelf verantwoordelijkheid voor hun wijk nemen, meent Sessink: “Dat zijn mensen volstrekt verleerd. Men koopt tegenwoordig alle hulp in. Maken de buren te veel lawaai, dan belt men direct de politie, zonder eerst zelf een oplossing te zoeken. Maar de verzorgingsstaat is voorbij. De burgers moeten weer voor zichzelf leren zorgen.”

Deze andere aanpak, wordt agenten niet altijd in dank afgenomen. “Het is erg wennen”, erkent hoofdcommissaris Peter Vogelzang. “De politie is altijd het vuilnisvat van de verzorgingsstaat geweest. Wat andere instanties laten schieten, komt uiteindelijk op ons bordje terecht.” Voorbeelden zijn er te over. De agenten die uren moeten waken bij iemand die in een psychose zit, omdat de psychiater niet bereikbaar is. De bejaarde die van zijn bed rolt en alleen de politie kan bereiken om weer in bed te worden getild. Of een mishandeld kind dat nergens kan worden ondergebracht na vijf uur 's middags. Vogelzang: “De gedachte wint terrein dat veiligheid niet het alleenrecht is van de politie. Ook onderwijs, werkgelegenheid en woningbouw kunnen daaraan bijdragen. Als een groepje schooljeugd overdag overlast veroorzaakt, kun je de schoolinspectie inschakelen om hen weer naar school te krijgen.”

De Utrechtse wijkagenten mogen hun eigen prioriteiten stellen. Zo heeft wijkagent Jos Meerssman in Bilthoven ervoor gekozen eerst contact met de middelbare school te leggen. Via een project 'Crimi-nee' kregen leerlingen inzicht in soorten crimineel gedrag, de consequenties daarvan en uitleg van de wet. Thema's als diefstal, vandalisme, plagen/pesten en seksueel gedrag zijn behandeld. Een ex-verslaafde en een ex-prostituée vertelden hun verhaal. De wijkagent is nu een vertrouwd beeld op school. En dat is een gunstig effect, vindt Meerssman. “Ik heb nu contact met de jongeren, waardoor ze misschien ook makkelijker met hun problemen langskomen. Bovendien herken ik ze direct als ze in de wijk lopen. Hier op school kun je een heleboel zaken afhandelen.” Om het contact in stand te houden, houdt hij sinds kort wekelijks spreekuur op de school.

Collega-wijkagent Gert-Jan van Meerten is al langer in een wijk in De Bilt actief. Hij heeft een netwerk met bewoners en instanties opgebouwd. “Ik vervul een signaalfunctie voor deze instanties. Als ik zie dat een oudere man in mijn wijk sterk vereenzaamt en verslonst, dan zeg ik tegen de ouderenzorg: Ga eens naar die man toe. Zij beoordelen dan of die man voor tafeltje-dekje en andere zaken in aanmerking komt. Toen de gemeente een jeugdhonk wilde afbreken, heb ik ze op de consequenties gewezen. Die jongeren gaan zonder honk rondzwerven en overlast veroorzaken. Dat is preventief werken.” Dat deze werkwijze ook meer werk voor hem betekent, vindt Van Meerten niet erg. “Maar dat geldt ook voor andere instanties. Het maatschappelijk werk heeft bijvoorbeeld gezegd, dat zij sinds ik er ben acht keer zoveel werk hebben.”

Het accent ligt bij de politie in Utrecht vooral op de sociale functie, vindt korpschef Peter Vogelzang. “Onze taak is toezicht, normhandhaving en hulpverlening. Maar de politie moet vooral de voelhorens van de maatschappij zijn, agenten behoren te weten wat er leeft en speelt.” Dat betekent dat de organisatie zo kleinschalig mogelijk opereert. “Daarom hebben we ook die 250 wijkagenten ingesteld. Zij houden toezicht, werken preventief, zijn op straat aanwezig en voor de bewoners bereikbaar.”

Utrecht heeft op elke 4 000 inwoners nu gemiddeld één wijkagent. Vogelzang: “Dat is voldoende. Het moeten er niet meer en minder zijn. De veiligheid neemt niet verder toe als het er meer worden. Politici die roepen om meer blauw op straat, hebben geen idee hoe de politie werkt. Want negentig procent van ons werk gebeurt niet op straat. Zodra een wijkagent met een zaak bezig is, zie je hem niet meer. Dan is hij op het bureau, of aan huis bezig. En je laat een wijkagent toch geen moord oplossen? Dan is hij maanden van straat. Daar zetten we dus een groot team op, zodat de wijkagent zijn gewone werk kan blijven doen.”

De Utrechtse politie maakt onderscheid tussen noodhulp, gebiedsgebonden wijkwerk en probleemgebonden werk, zoals recherche, verkeers- en milieupolitie. Vogelzang stoort zich er vreselijk aan dat probleemgebonden werk plotseling door politici als overhead en bureaucratie wordt bestempeld. Die overhead wil men inkrimpen ten gunste van het werk op straat. Vogelzang draait het om: “Als ik alle agenten een straat zou geven, dan gaat dat ten koste van ander essentieel politiewerk. We lossen dan juist minder zaken op. Meer blauw is een nonsens-discussie.”

Essentieel is bijvoorbeeld de noodhulp. Vogelzang: “We willen bij een noodmelding in de hele regio 24 uur per dag binnen tien minuten ter plekke zijn. Dat vergt een hele organisatie, 120 man per dienst, zeven dagen in de week. Maar we haalden dat doel vorig jaar in 93,3 procent van de meldingen.”

Als meer agenten op straat lopen, nemen de spanningen en de werkdruk de komende tijd toe, voorspelt Vogelzang. “Dat is een direct gevolg van de keuzes die we hebben gemaakt. De wijkagenten zien zelf steeds meer problemen. En door het contact met de bewoners neemt de druk op de wijkagent verder toe.”

De politie heeft echter per definitie beperkte middelen en mankracht om alle problemen op te lossen. Vogelzang. “Het is vergelijkbaar met de gezondheidszorg. De vraag is altijd groter dan het werk dat we aankunnen. Dat is een natuurlijk spanningsveld, dat blijft zelfs als je meer agenten krijgt. Binnen de mogelijkheden die we hebben, moeten we daarom steeds prioriteiten stellen.”

Dat de spanning op straat toeneemt, was met name de afgelopen tijd in diverse delen van de stad Utrecht merkbaar. Er ontstonden clashes tussen agenten en groepen bewoners of jongeren. Maar Vogelzang bestrijdt de idee dat Utrecht onveiliger is geworden. “De maatschappij wil dat we wat alerter optreden. Als tolerantie zo lang het uitgangspunt is geweest, krijg je dat niet zomaar terug. Er wordt soms agressief gereageerd. Maar ook niet meer dan normaal. Van dit soort incidenten gaan er twintig in een dozijn. Mensen roepen nu plotseling dat het hier een vrijstaat is en dat er oorlog is met de politie. En de politiek schiet vervolgens in de stress, terwijl we precies doen wat de samenleving wil!”

In de Utrechtse wijk Zuilen is de veiligheid door de nieuwe werkwijze en het alerter optreden duidelijk toegenomen, meldt Vogelzang trots. De politie heeft tijdelijk dertig agenten extra op deze wijk gezet, omdat het een imago van een 'vrijstaat' kreeg. “Het aantal inbraken, vernielingen en geweldsmisdrijven is drastisch afgenomen. De inbraken zijn zelfs gehalveerd. Mensen durven weer op straat te lopen. Ik ken die wijk, want ik kom er vandaan en voetbal er nog steeds. Het is een hartstikke leuke wijk. De bewoners lijden eronder dat de wijk asociaal wordt genoemd. Dat verdienen ze niet.”

Deze tijdelijke extra inzet van agenten op speciale problemen wil Vogelzang vaker kunnen realiseren. Daarom zegt hij best 300 agenten uit Den Haag extra te willen krijgen, maar niet om die in de wijk te laten werken. “Ik wil ze flexibel inzetten, tijdelijk een groep agenten op een bepaald project zetten, bijvoorbeeld op de toename van geweld onder jeugdigen. Met zo'n projectmatige aanpak kunnen we de wijkagent effectiever ondersteunen, dan als we die extra agenten versnipperen over alle wijken. De politieke druk om nog meer blauw op straat is groot. Maar het doel moet zijn, meer politiecapaciteit om de problemen op te lossen. Of dit nu op straat, in het buurthuis of op het bureau is, is daarvoor niet relevant.”

mailIcon print |