*

 
dossier

Archief

HAK KNOPEN DOOR, GEEF RICHTING AAN, REGERING REGEER!

WILLEM BREEDVELD − 29/07/95, 00:00

Met de individualisering en terugtredende overheid zijn we op de verkeerde weg, meent J. P. H. Donner, prominent CDA'er en voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Want: “je kunt natuurlijk de weg van de democratie bewandelen en als overheid aan de burger gaan vragen hoe hij het gehad had willen hebben, maar dat schiet niet op.” Pleidooi voor een eerherstel van het gezag van de overheid.

Zijn vrees: dat we zodoende een revolutie over ons afroepen die niemand heeft gewild. Want deze status quo verhult dat zowel de instituten als de samenleving in een stroomversnelling terecht zijn gekomen. Dat schept grote onzekerheden en uiteindelijk een niet ongevaarlijke situatie.

Zijn recept: een eerherstel van het gezag van de overheid. Onze democratie is te ver doorgeschoten. Iedereen loopt achter iedereen aan. Dat schiet niet op. Iemand zal toch de knopen moeten doorhakken en de richting moeten aangeven. Daar hebben we toch een overheid voor?

Hameren op het aambeeld van het gezag van de overheid? Het lijkt vloeken in de postmoderne kerk van het huidige tijdperk die als sleutelwoord hanteert de individuele vrijheid, weg met iedere vorm van betutteling en als er al knopen doorgehakt moeten worden, dan is de aangewezen weg veeleer het scheppen van nog meer democratie: via consensusvorming vooraf, via inspraak, referenda en wie weet straks zelfs via een permanente raadpleging van de burger via een computer. Maar volgens J. P. H Donner (46), voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) zijn al deze goedbedoelde en deels ook noodzakelijke pogingen boter aan de galg. Eerst zullen we moeten erkennen dat we een overheid nodig hebben om te kunnen samenleven, met of zonder democratie.

Het is een gewaagde stelling waarmee Donner de verdenking over zich afroept met heimwee te zijn vervuld naar de jaren vijftig toen ministers nog eerbiedig met excellentie werden aangesproken en hele volksstammen bereid waren het gezag te accepteren als gezag; van de baas, van de dominee of de pastoor, van de Schrift, van het politieke program, van de zuil waartoe men behoorde. Met een ontwapenende glimlach schuift Donner dit soort tegenwerpingen echter terzijde, er op wijzend hoe de overheid juist door het 'beredderen van de consensus' bezig is vast te lopen, om vervolgens belangstellend te informeren of we daar dan zoveel mee opschieten.

Om misverstand te voorkomen, het gaat hem niet om het herstellen van het regentendom, maar om de erkenning dat de overheid leiding moet geven en daarmee zekerheid, die weer nodig is om de samenleving dynamiek te geven.

Donner: “Wat ik precies bedoel, zien we dagelijks op de tv, de schrijnende beelden uit Bosnië. Daar ontbreekt overheidsgezag, daar heerst chaos, die een echo oproepen van de worsteling van onze kleine autonome staatjes uit de Middeleeuwen. Een oorlog van allen tegen allen, die alleen maar beteugeld kan worden op basis van de erkenning dat we een autonome overheid nodig hebben om überhaupt te kunnen samenleven. Die erkenning is een absolute voorwaarde. Dat zie je in Joegoslavië. Tegelijk zie je daar dat we in Europa inmiddels zo nauw samenleven dat we daar een gemeenschappelijke overheid moeten hebben. Bij gebrek daaraan is een adequate reactie op conflicten zoals in Joegoslavië niet mogelijk en blijft alles steken in overleg en achter de feiten aanlopen. Het hek is van de dam als het zo doorgaat. Nu Bosnië, straks Macedonië of de Hongaarse minderheden in Roemenië. Het loopt uit op een veenbrand als we dit over onze kant laten gaan. Hier zijn vitale Europese belangen in het geding.”

“Maar ook in eigen land zien we de gevolgen van het wegvallen van het gezag van de overheid. Een fraai voorbeeld is de aanhoudende discussie over de sociale zekerheid. Voor die discussie is bepalend de situatie op de arbeidsmarkt die in enkele decennia vooral ook een internationale markt is geworden. Daarvan kan Nederland zich als natie niet afschermen en dat roept de fundamentele vraag op wat je als overheid op het terrein van de sociale zekerheid nog wel en wat niet tot je taak kunt rekenen. Voor welke structuur kiezen we? In plaats daarvan probeert de politiek de sociale zekerheid met kleine lapmiddelen overeind te houden. Ze kijkt niet naar de structuur, maar naar de effecten. Op het ene moment zeggen we: strengere keuringen voor de WAO, om vervolgens de genomen maatregelen in paniek weer terug te draaien. Alleen al het woord sociale zekerheid is zodoende enigszins belachelijk geworden en dat terwijl een burger juist in een periode van onzekerheid van een overheid mag verwachten dat die tenminste probeert zekerheid te scheppen.”

“De overheid bereddert het probleem. Daar zal zij ongetwijfeld nog jaren mee doende zijn zonder dat er enig uitzicht bestaat op zekerheid voor de burger. Nu kun je natuurlijk de weg van de democratie bewandelen en als overheid aan de burger gaan vragen hoe hij het gehad had willen hebben, maar dat schiet niet op. De problemen waar de overheid mee worstelt, zijn niet anders dan waar het individu voor staat. Daarmee doorbreken we de vicieuze cirkel niet. Wie voortdurend bij het volk te rade gaat, komt al gauw in een situatie van: iedereen volgt iedereen en met elkaar komen we nergens. De kernvraag is daarom: waar hadden we die overheid ook al weer voor nodig? Precies: om te beslissen, om de knopen door te hakken die we zelf niet kunnen doorhakken, om de vicieuze cirkel te doorbreken. Vandaar dat ik veel verwacht van de aangekondigde discussie over sociale zekerheid.”

Met welk recht? In een democratie (de regering is van het volk) is een overheid er toch om te doen wat het volk wil? Opnieuw die glimlach, gevolgd door een uiteenzetting waarin we de onvervalste christen-democraat herkennen, alsmede een echo van zijn vader, de staatsrechtgeleerde A. M. Donner: “Ho even, dat is een fictie die zowel liberalen als sociaal-democraten huldigen. Zij gaan ervan uit dat het overheidshandelen te herleiden is tot een contract met het volk. Ooit zou een volk besloten hebben een overheid boven zich te aanvaarden. Maar dat is onzin. De staat en de overheid waren er al. Een overheid is een noodzakelijk iets. Zonder een overheid geen samenleving. De overheid heeft 'n autonome functie en verantwoordelijkheid. Haar primaire taak is richting geven aan de samenleving. Ik zelf zie dat nog steeds als macht en recht.”

En waar komt bij Donner de democratie om de hoek kijken? “Op het punt van de controle. De democratie is een machtig correctief op continuïteit en gevestigde belangen. De overheid heeft voor de veranderingen die zij voorstelt de instemming nodig van het volk, de volksvertegenwoording dus. Ik huldig de traditonele dualistische opvatting van: regering regeer! Die moet als overheid de richting bepalen. Van zijn kant moet het parlement vaststellen of het met die richting kan instemmen of niet. Waar het om gaat is dat we op voorhand accepteren dat de overheid die rol speelt, maar juist dat besef is in de loop der jaren ondergesneeuwd. Het zit in de Nederlandse aard om zaken collegiaal, in overleg met elkaar te regelen. Ons land heeft een republikeinse traditie en staat ver af van de aristocratische manier waarop bijvoorbeeld in Frankrijk zaken worden afgedaan. Tot op zekere hoogte is onze cultuur ook nuttig, maar het wordt te gek wanneer je blijft steken in overleg; of erger wanneer een regering zich gaat verschuilen achter het volk dat het zelf ook niet weet.”

“En dan is er nog iets. Een zaak waar ook mijn eigen WRR zich schuldig aan heeft gemaakt. Zo'n twintig jaar geleden zijn we regeren als iets wetenschappelijks gaan opvatten. De WRR vloeit daar ook uit voort. Het zou slechts een kwestie zijn van het toepassen van sociale en economische wetmatigheden; een handelen dat als het ware noodzakelijkerwijs uit wetenschappelijke veronderstellingen voortvloeit. Alsof er geen keuzen gemaakt behoefden te worden. Het doen van keuzen leek ondergeschikt. Maar inmiddels is de voorspelbaarheid steeds geringer geworden, nemen de onzekerheden toe en kom ik toch weer op mijn punt, dat er met gezag keuzen gemaakt moeten worden en dat we daar een overheid voor nodig hebben.”

“Kiezen is voor anker gaan bij bepaalde waarden. Welke wil je overeind houden en welke niet. Zo'n waarde is bijvoorbeeld dat je er als overheid voor zorgt dat de mensen niet verkommeren. Maar makkelijk is dat niet. Veel werk is weggedefinieerd. De arbeidsmarkt is voorts veel uitgebreider geworden en dat heeft een neerwaartse aanpassing van het sociale minimum tot gevolg. Onvermijdelijk. Onder die omstandigheden ligt het voor de hand dat de overheid de oude sociale zekerheid van een recht op tenminste het minimuminkomen herdefinieert tot de notie: iedereen is zelf verantwoordelijk om te voorzien in zijn eigen onderhoud, de overheid spant zich in voor een aanvulling op dat inkomen.”

Dat is kras.

“Jazeker, maar wat had u dan gewild? Dat de overheid maar blijft aanmodderen? Onzekerheden blijft scheppen? Zoals ik zei: dynamiek is pas mogelijk als er bepaalde zekerheden zijn. Iemand zal daarom de knopen moeten doorhakken en wel fundamenteel, want de verschillen die tot dusverre de politieke partijen verdeeld hielden, zijn minimaal geworden. Dat wijst erop dat de politiek, dat de overheid de wezenlijke keuzeproblemen ontloopt. Er is een paars kabinet aangetreden met daarin twee partijen die elkaar tot voor kort uitsloten. Dat blijkt te kunnen en bovendien verschilt het in zijn beleidsprestaties nauwelijks van het vorige kabinet. Op een sarcastisch moment denk ik weleens: dit kabinet doet zelfs precies wat Brinkman altijd gevraagd heeft, maar hij werd afgestraft.”

“Nee, de overheid zal duidelijker richting moeten aangeven. De angst van politici is dat zij denken dat het volk dat niet wil. De aantrekkingskracht voor iemand als Bolkestein bewijst echter het tegendeel. Hij is duidelijk. Hij geeft richting aan. Jammer alleen dat hij in de discussie niet zozeer bezig is met de toekomst, als wel met het verleden, met de afsluiting van een periode. Het wachten is op een politicus die toekomstgericht in positieve zin aangeeft: daar gaan we als natie naar toe. Daar koersen we op af.”

Klinkt aanlokkelijk, maar als we Donner zo horen, dan heeft hij geen 'vrolijke' toekomst in de aanbieding. En dat voor een man die een prominent lid is van de strategische beraadsgroep van het CDA. Bovendien noemde hij het onlangs fundamenteel onjuist als de overheid zich gelijk de Goede Herder vooral zou gaan bekommeren om een verloren schaap, en ondertussen de overige negenennegentig schapen onbeheerd in de wildernis zou achterlaten.

Donner: “Met die opmerking wilde ik laten zien dat de ethiek van de overheid wezenlijk verschilt van de persoonlijke ethiek. De overheid is een machtsinstrument, waarvan we mogen hopen dat die haar macht gebruikt voor het handhaven van een vreedzame samenleving, waarin burgers bereid zijn samen te werken. Die macht moet echter wel getemd worden, allereerst door het recht en ook door de democratie. Zo'n overheid kan het zich niet veroorloven zich de nood van de ganse wereld aan te trekken. Dan raakt zij ernstig in de problemen. Zij zal zich moeten beperken tot het minimale.”

Bolkestein verbaast zich erover dat christen-democraten in de jaren zeventig de Heidelberger catechismus overboord hebben gezet en een optimistisch mensbeeld zijn gaan koesteren. Hoe dat optimisme te rijmen met Donners idee dat de overheid gezag moet uitoefenen; een overheid bovendien die zich in haar bekommernis over de nood van deze wereld dient te beperken?

“Bolkestein vergist zich. De Heidelberger catechismus is een theologisch leerstuk. Daarin staat wel dat de mens van nature geneigd is tot alle kwaad, maar dat is een constructie om te laten zien dat alle goeds van God komt. Daarbinnen kan de mens wel degelijk iets goeds doen. Nee, voor christen-democraten is vooral de notie van Romeinen dertien van belang, de van God gegeven overheid die het zwaard niet tevergeefs draagt. Een overheid dus die een grens stelt aan het menselijk egoïsme. Ik geloof niet dat christen-democraten over dat egoisme optimistischer zijn gaan denken. Daarentegen hebben veel christen-democraten, zo goed als trouwens veel sociaal-democraten en liberalen, een optimistisch overheidsbeeld gekregen. In het verlengde van de opbouwperiode leek het ineens of de overheid, of ambtenaren alles konden regelen. Toen vatte het idee post dat alles wat kan ook moet. In ons enthousiasme hebben we toen allerlei regelingen in het leven geroepen en zijn we pas veel later gaan inzien dat de individuele vrijheid daarvan het slachtoffer werd. Het leidde tot regelingen waarbij de overheid zich gedwongen ziet om te gaan controleren of iemand zich van twee of één tandenborstel bedient.”

“En wat die vrolijke toekomst betreft: de overheid is er niet om een hemel op aarde te garanderen. Door hardnekkig vast te willen houden aan dingen die we prettig vinden, kunnen we ook een onaanvaardbaar beslag leggen op de toekomst. De overheid moet doen wat noodzakelijk is, of dat nu prettig is of niet. En voor het overige geldt dat de echte, goede toekomst voor christenen buiten deze wereld ligt.”

mailIcon print |