Een ferme handdruk, brede schouders en fonkelende ogen. Op tafel liggen twee groene doosjes. De bronzen medaille lijkt zwaar, maar de gouden is nog veel zwaarder. “Logisch, de soortelijke massa van goud is nu eenmaal groter dan die van brons. Ik heb ze pas twee keer om gehad. Tijdens de uitreiking en later voor de foto. Ik ben niet zo'n patser. Ik ben ook bang dat er krassen op komen.”
Dat is geen tuttigheid, maar zuinigheid. Want Kasper Engel (30) weet hoe hard hij heeft moeten werken voor de twee prijzen. “Vier jaar heb ik ernaar toegeleefd. Dat goud was voor mij. Dat heb ik altijd gezegd en ik heb het waar gemaakt.”
Zwemmer Kasper Engel kwam dinsdag uit Atlanta terug van de Paralympics, de Olympische spelen voor mensen met een handicap. Daar won hij brons op de vier keer honderd meter samen met drie ploeggenoten. Trotser is hij echter op de honderd meter schoolslag, waar hij niet alleen goud won, maar ook een nieuw wereld- en Paralympisch record zwom.
Sindsdien heeft hij nauwelijks rust gehad. “Onder politiebegeleiding zijn we vanaf Schiphol naar de Rai gegaan om daar afscheid te nemen van de hele ploeg. Thuis was er veel bezoek. Woensdag hadden we de rijtoer door Den Haag en de ontvangst op het Catshuis met Wim Kok, Erica Terpstra en de koningin. Dat was voor het eerst dat de koningin ons heeft ontvangen. Na de spelen in Seoul ('88) en Barcelona ('92) kregen we niet zo'n ontvangst. Erica Terpstra heb ik in Atlanta ook gezien. Willem-Alexander heeft bij het rolstoelbasketbal zelfs meegedaan met een training. Dat is allemaal een groot verschil met vier en acht jaar geleden. Ik denk dat een deel te danken is aan het enthousiasme van de staatssecretaris. Wat ik merkwaardig vond, was dat de koningin niks heeft gezegd tegen ons. Misschien komt dat dan over vier jaar.”
Hij heeft vandaag uitgeslapen. In een wit T-shirtje met daarop 'As a finishing touch, God created the Dutch...' en een blauwe spijkerbroek zit hij aan tafel in zijn ouderlijk huis in Maarssen. “Mam, schenk jij even thee in? Kijk, ik wil het zelf ook wel doen, maar dan wordt het een Haags bakkie.” Hij lacht.
Kasper is gehandicapt aan zijn benen. Hij kan wel lopen, maar moeilijk. “Ik ben gewoon nooit gaan lopen, toen ik klein was. Hoe het komt, weet ik niet. Het interesseert me eigenlijk ook niet.”
Bij het zwemmen gebruikt hij zijn benen niet. Hij valt daarom in de categorie S6. Dat zijn zwemmers die twee ledematen kunnen gebruiken. Kasper zwemt dus alleen met zijn bovenlijf en dat verklaart ook zijn stevige nek en brede schouders. Om nog extra aerodynamisch te zijn schoor hij in Atlanta zijn hoofd kaal. “De rest van mijn lijf is ook geschoren”, zegt hij en laat spontaan zijn kale armen en borst zien. “Dat helpt tegen het verzuren van je lichaam. De afvalstoffen kunnen zo sneller je lijf uit, omdat je poriën verder open staan.”
Moeder Engel kijkt wat bedenkelijk naar het gladde hoofd van haar zoon: “Hij zou zo de zoon van Sugar Lee Hooper kunnen zijn.”
“Ik geloof dat ik tien of elf jaar was, toen ik begon met zwemmen. Tenminste, mijn eerste oorkonde is uit 1977. Dat zwemmen ging toen uit van het revalidatiecentrum. Daar deden we veel in het water. Nu zouden ze dat aquajoggen noemen. Ik verliet in 1983 het revalidatiecentrum, ze raadden me aan om te gaan sporten. Het zwemmen ging me makkelijk af. Niet alleen lichamelijk; ik had ook de houding om drie, vier keer in de week te trainen. Ook als het pijn deed, kon ik doorgaan. Ik trainde met valide jongens, ik heb ook van ze gewonnen.”
Kasper woont thuis bij zijn ouders, niet omdat hij niet alleen kan wonen, maar als topsporter is het wel makkelijk als iemand voor je zorgt. Want naast zijn sport, waarvoor hij twintig uur in de week traint, is hij ook zweminstructeur in Maarssen. Zo'n veertig uur per week geeft hij les, vooral aan kinderen, maar ook aan volwassenen. En dat is een groot verschil.
“Kinderen kun je spelenderwijs lesgeven en 99,9 procent haalt ook het diploma. Bij ouderen die nog nooit hebben gezwommen, ligt dat heel anders. Daar haalt maar zestig procent de eindstreep. Dat vind ik een kwalijke zaak. Je moet ouderen een spiegel voorhouden. Vaak zijn ze bang. Ze moeten het echt willen, anders lukt het niet. Ik zeg dat ook tegen ze: 'Dit moet geen tienjarenplan worden. Je moet vooruit willen'. Als ze dan klagen dat ze het niet kunnen of last van hun rug hebben of zo, zeg ik: 'Ik zwem maar met twee ledematen, ik kan het toch ook'. De les daarna gaan ze vaak met sprongen vooruit.”
Kasper denkt met gemengde gevoelens terug aan de Spelen. Het duurde lang voordat het harde trainen zijn vruchten afwierp. “We waren al een week aan het zwemmen en ik had nog niks gewonnen. Dat was zuur. Mijn trainingsmaatje Alwin de Groot ging vanaf de eerste medaille als een speer. Ik werd steeds vijfde of zesde, maar daar krijg je niks voor. De honderd meter was mijn afstand. Ik moest nu winnen, anders kwam het nooit meer. De twijfel begon toen toch aan me te knagen. Heb ik het wel goed gedaan met trainen? De voorlaatste dag was de honderd meter. De avond ervoor heb ik alles alleen gedaan. Tot sluitingstijd heb ik in het zwembad gezeten. 'Morgen is mijn dag', dacht ik.”
“Ik wist dat het zou lukken, maar toch was daar die twijfel. Toen ik eenmaal in het water lag, was er een ontlading, een ontploffing. En toen was het voorbij. Ik dacht: 'Is dit het nou? Heb ik hier zo hard voor gewerkt?' Iedereen zegt dan dat het nog wel komt, maar eigenlijk is dat gevoel nog niet gekomen. Ik was zo gefixeerd op winnen, dat ik al mijn emoties heb uitgeschakeld. Want emoties maken je zwak en dan kun je niet winnen. Ik heb meer kippenvel gehad bij de winst van de Holland Acht dan bij mezelf.”
“De prijsuitreiking heb ik ook niet zo beseft. Ik dacht wel: 'Ik heb 'm, de beloning voor vier jaar hard werken.' Ik huilde niet tijdens het volkslied.”
Kasper is een serieuze sporter. “Als je twintig uur per week traint, doe je aan topsport. Dat vinden de valide sporters ook. De prestatie telt, niet de handicap.”
Toch wil het nog niet zo lukken met de integratie van gehandicapte sporters en 'gewone' sporters. “Vaak worden alleen de obstakels gezien, de problemen die het met zich meebrengt als invalide sporters zouden meedraaien in de reguliere sportwereld. Maar de mensen die dat denken, komen nooit naar ons kijken. Bijvoorbeeld Mart Smeets schrijft dat gehandicaptensport niet geschikt is voor de televisie. Hij is er nooit bij geweest. Ik vind hem een nietszeggend figuur. De verkeerde man op de verkeerde plek. Hij beseft niet wat de consequenties van zo'n stuk zijn voor eventuele sponsors. Laat hij het lekker bij basketbal houden en zich niet met iets bemoeien dat hij nog nooit heeft gezien.”
“Iedere zwemfinale zijn er opnames gemaakt die naar Nederland werden gestuurd. Er is nauwelijks iets van te zien geweest, omdat daar ergens een eindredacteur zit die daar niet hoort. Zo'n man beslist dat het niet interessant is. Mijn ouders wisten niet eens dat ik een gouden medaille en een nieuw wereldrecord had gehaald. Ze hoorden het via-via.”
De Olympisch kampioen is echt kwaad als hij het erover heeft. “Ik streef ernaar in de toekomst een professionele ploeg op te zetten van gehandicapte zwemmers. Ik laat mijn gezicht regelmatig zien tijdens valide wedstrijden. Nu ben ik nog niet in de positie om dat voor elkaar te krijgen, maar ik zou graag jong talent opleiden. Er hebben zich namelijk nog geen opvolgers van mij aangediend. Veel gehandicapten zelf doen niet aan sport, omdat ze dan moeten toegeven dat hen iets mankeert. Vaak denken ze: 'Die anderen zijn vast veel erger gehandicapt dan ik, of niet helemaal honderd procent.' Ik ga ook liever met de voetjes van de vloer op het Leidseplein, maar dat kan ik niet. Het is moeilijk, zeker als je zestien of zeventien bent. Meisjes zien je echt niet staan. Het is moeilijk om je handicap te accepteren. Het lukt nooit helemaal.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.