*

 
dossier

Archief

AMBASSADEUR VOOR HET POLDERMODEL

ESTHER HAGEMAN − 30/05/98, 00:00

In Zoetermeer hebben ze sinds 7 mei twee vragen in het hoofd. Vraag een: wie volgt Jo Ritzen op, nu die daags na de verkiezingen aankondigde dat hij per oktober naar de Wereldbank in Washington gaat en dus niet in de race is voor een derde ministerschap op Onderwijs? En vraag twee is: welk cadeautje bedenken we voor Jo?

Zelf is Ritzen met zijn hoofd nog niet weg uit het Nederlandse onderwijs. Zijn bureau ligt nog vol, de werkkoffer staat nog open op de grond. Als altijd heeft hij best tijd voor een gesprek, en als altijd wasemt hij tegelijk ook uit dat er nog wel meer te doen is. Wat in een uur kan, doet Ritzen niet in anderhalf uur. Ook weet hij nu al zeker dat hij straks 'met gekromde tenen langs de zijlijn' zal staan - omdat er aan het onderwijs nog zo veel moet gebeuren.

Niettemin zitten in zijn flux de bouche nu opeens verhalen over het gezinsleven, en hoe dat sinds november 1989, toen hij in het kabinet Lubbers/Kok aantrad, te lijden heeft gehad van een baan die geen baan is, maar een manier van leven. Dat is, hoopt hij, straks in Washington anders. Te lijden gehad? Die indruk wekte hij eerlijk gezegd nooit zo. Vroeger, als hoogleraar, zal hij toch ook al een bijna manisch druk baasje geweest zijn? Zei hij niet ooit tegen OPZIJ dat strijken vooral zo heerlijk was omdat je intussen zo lekker kon denken?

Ritzen: “Ik heb natuurlijk nooit een baan van negen tot vijf gehad. En in tegendeel, ik heb het ministerschap absoluut als een groot voorrecht beschouwd. Maar het is wel zwaar, het laat nauwelijks vrije tijd open. Lezen, dat is wel altijd gebleven. Voor het slapen gaan ben ik altijd in een paar boeken tegelijk bezig. The Island Of The Day Before van Umberto Eco is dat nu, en The Panama Tailor van John le Carre. Maar aan andere dingen kom je niet meer toe. Aan sport in zoverre, dat je nog wel een wedstrijd kunt spelen. Maar daarna ben je meteen weg. Ik heb in negen jaar eenmaal een bardienst op de hockeyclub gedraaid - toen konden ze een biertje bestellen bij de minister.

Je sociale zelfverzorging verdwijnt. Je belt je vrienden niet meer zelf, zij moeten jou bellen. Een ministerschap maakt je parasitairder. En thuis, we hadden altijd kookbeurten, afwasbeurten en ik deed de strijk. Heel normale taken, maar die verdwijnen. Heb je geen tijd meer voor.''

Zijn echtgenote heeft wel eens gezegd: als we op de tennisbaan staan, wil ik ook echt tennissen, dan wil ik niet ook nog eens over onderwijs moeten praten. Ritzen: “Terwijl je op de baan staat, schieten de mensen je nog net niet aan. Die bal laten ze je nog wel slaan. Maar zodra je van de baan afkomt, gebeurt dat wel. Ook je familie wordt vaak aangesproken op jouw beleid. En die zeggen: dat werk is zijn keuze, daar hebben wij nooit voor gekozen. En tja, dat de vrouw van de minister ook over het beleid gaat, dat associeer je toch meer met landen met een wat ander politiek systeem. Je merkt, ik ben m'n woorden met steeds meer zorg gaan kiezen. Het hoort er natuurlijk allemaal bij. Alleen, het vergt dus wel wat. Het allerergste zou natuurlijk zijn: een minister die zich niet helemaal geeft.”

Dat totale van Jo Ritzen, dat zich er helemaal in gooiende, was een van zijn meest in het oog vallende kenmerken. Rapporten, zo gaat het verhaal over hem al jaren, begint hij achterin, bij de tabellen, te lezen. Qua maaltijden-onderweg heeft hij net zo lief twee broodjes van het benzinestation als de 'echte' maaltijd waarop zijn gevolg zit te hopen. Een diner beschouwt hij als een tijdrovende inleiding tot een ijsje, en het heeft hem enige tijd gekost om ambtelijke stukken die in de ministerstas zaten in de kantlijn niet van al te veel commentaar te voorzien.

Ritzen zelf beschrijft dat eufemistischer; o ja, het was beslist een leerproces. “Heel veel van het werk van een minister is niet zozeer intellectueel intensief; het vindt meer plaats in de sfeer van eindeloos veel contacten, gesprekken, overleggen. Je hoeft niet elke keer iets nieuws te verzinnen, het zijn geen examensommen. Ik heb dat vooral in het begin moeten leren. Je zou kunnen zeggen: ministerschap bestaat eruit dat je hetzelfde steeds opnieuw aan telkens andere mensen vertelt, en dan van hen hoort hoe zij erover denken. Daarbij gaat het erom dat je hun betrokkenheid krijgt, dat je ze meekrijgt.”

“Eigenlijk zijn het een paar banen tegelijk. Je schaakt op verschillende borden. Je onderhoudt contacten met het veld; dat zijn vooral heel veel informele en formele contacten. Je houdt de Tweede Kamer bij de les. Dat ze weten waarover het gaat. Je bereidt de ministerraad voor, zodat ook je kompanen weten wat je doet, dat ze niet in de krant hoeven te lezen dat je iets van plan bent. Je bestuurt het departement, wat op zich al een dagtaak is. En dat allemaal in een klimaat van een publiciteit die alles onder een vergrootglas legt. Dat vergt dat je voortdurend alert bent, dat je er honderd procent mee bezig bent. Ik kan m'n opvolger wel geruststellen: je houdt nog tijd over om te slapen. Maar het is wel plezierig weer een eigen leven te krijgen.”

Die drukte van het ministerschap ziet hij als onvermijdelijk. Interessant hoor, die oproep tot 'onthaasting' van VROM-collega Margreet de Boer, maar volgens Ritzen is het niet van toepassing op ministers. “Dat is toch een iets andere dimensie. Wat ze bedoelt, zit erg in de sfeer van: geen druk om de druk, geen haast om de haast. Maar mijn haast van de afgelopen jaren was gewoon nodig. Als je denkt aan de onderwijskansen van allochtone kinderen, aan jongeren die uit het onderwijssysteem rollen, dan kun je niet anders dan vaststellen dat er haast geboden is.”

Maar wat is er in die negen jaar Ritzen dan eigenlijk wezenlijk veranderd? Negen jaar geleden waren er tienduizenden dropouts per jaar. Die zijn er, stelde het Sociaal en Cultureel Planbureau laatst nog vast, nu nog. Wat is er dan eigenlijk wel groots en meeslepend veranderd, vindt hij? Ritzen: “Ik beweer ook niet dat het werk klaar is! Je moet alleen al alle zeilen bijzetten om te voorkomen dat het erger wordt. Als we de Wet Educatie en Beroepsvorming niet hadden gekregen, zouden er meer dropouts zijn geweest. Of bepaalde categorieân uitvallers zouden onopgemerkt gebleven zijn. Achteraf sla je je toch voor je kop dat niet eerder is gezien dat grote groepen jongeren zonder kwalificatie van school afkomen. Dat de veranderingen niet groots en meeslepend zijn, is de paradox van het onderwijs. Er is in die negen jaar geen wet geweest die niet veranderd is. Dat is een noodzakelijke voorwaarde geweest. En tegelijk duurt het jaren voor je er iets van ziet, voor er iets verandert.”

“Hoewel, laatst was ik terug op mijn eigen school, het Sint Bernardinus in Heerlen. Ik heb altijd veel energie geput uit werkbezoeken, ze vormden het tegenwicht tegen het gevoel dat de instituties in het onderwijs, de VSNU en de HBO-raad bijvoorbeeld, je bezorgen: dat je tegen iets opbokst. Op werkbezoeken ontmoet je mensen die iets willen, situaties waarin iets fout gaat, waarin je als minister direct kunt ingrijpen. Van praten met studenten kwam ik ook altijd helemaal opgekickt terug. Die directe betrokkenheid ga ik nog het meest missen.”

“Maar ik ben dus op mijn oude school. In mijn tijd was het Bernardinus een school van 1 500 leerlingen. Nu nog. Dat die school toen al zo groot was, is trouwens bruikbaar als bewijs dat een grote school wel degelijk een goede school kan zijn. Hij kwam er in de Trouw-lijst aardig uit. Ik denk dat hij er straks in onze eigen lijst ook vrij aardig uit zal komen. Ze gaven me er een boek te zien met oude schoolfoto's. Er zaten ook foto's in die in de leraarskamer gemaakt waren, ik zag een paar van mijn leraren terug. He, dat is interessant, dacht ik toen. Daar had je Ter Hal, die biologie gaf. En Bonekamp, die geschiedenis gaf. En Huigen, van natuurkunde. Die zaten in de leraarskamer naast elkaar.”

“Ik denk dat dat een tijdje weggeweest is en dat het nu weer terug is. In een soort golfbeweging denk ik dat leraren een tijdlang uiteengevallen zijn in 'vaksecties', en dat ze nu weer een 'arbeidsorganisatie' beginnen te vormen. Met veel meer oog voor sociale mobiliteit, voor de leerling, dan eerder. Mijn klasgenoten op de lagere school waren voorbestemd om mijnwerker te worden. Dat automatisme is nu zoveel minder.”

Ritzen gaf als minister veel ruimte aan zijn staatssecretarissen (achtereenvolgens: Wallage, Cohen, Netelenbos en Nuis). Anders dan z'n voorganger Deetman, wiens staatssecretarissen weinig in te brengen hadden, kregen die van Ritzen veel gelegenheid om zelf te schitteren - op het gevaar af dat het leek alsof Ritzen bij toeval minister was in jaren dat zulke krachtfiguren als Wallage en Netelenbos het belangrijkste deel van het onderwijs, de basis- en middelbare scholen, op hun kop zetten. Prikte dat niet?

Ritzen: “Die rolverdeling is van meet af aan zo geweest en het was bewust. Jacques Wallage is iemand die zo ontzettend veel kan. Die lijn heeft zich voortgezet met Tineke. Als ik een politiek minister had willen zijn, hoog op de lijst had willen komen, dan had ik me misschien anders opgesteld. Maar het is ook de aard van het beestje. Ik wilde een vakminister zijn.”

“Je moet wat je doet nooit laten leiden door beeldvorming. Het gaat bij beleid om 'gerealiseerd' of 'niet gerealiseerd'. Had ik het geambieerd om een andere positie in de Nederlandse politiek te krijgen, dan was het veel belangrijker voor me geweest dat ik zelf groot in beeld was. Maar zo was het niet. Ik kwam van buiten, ik kwam voor het onderwijs, ik had er niet om gevraagd, maar ik was gevraagd. Er zijn er ook die van buiten kwamen als vakminister en die wel politici worden. Neem Els Borst. Er is niks mis mee, maar voor mij geldt het niet.

Bij de vorige formatie heb ik even over een ander departement gedacht. Maar ik had de mentale switch nooit kunnen maken, om vanaf een andere stoel tegen een onderwijsminister te zeggen: 'daar en daar kun je nog wel wat bezuinigen, want dat weet ik nog'.''

De vraag of Ritzens opvolger net als hij over het hoger onderwijs moet gaan terwijl de staatssecretarissen het 'funderend' onderwijs regelen, of dat het juist tijd is voor het omgekeerde, noemt hij 'een lastige'. “De kern van het onderwijs ligt in het primair en het voortgezet onderwijs, onmiskenbaar. Toch denk ik dat het grote voordelen kan hebben als het wordt zoals het nu was. De minister moet wel alle sectoren kunnen aanspreken, maar er valt van het hoger onderwijs op het ogenblik veel te leren. Hoe het hoger onderwijs omgaat met kwaliteitsbeoordelingen, met visitaties, dat is heel leerzaam voor andere sectoren. Daarin lopen we in Europa voorop, al is waar dat we het op onze beurt van de VS hebben afgekeken.”

“Toen mijn oudste kinderen toe waren aan hun studiekeus, was er op dat terrein nog niets. In 1990 kon mijn dochter er nergens achter komen wat de beste plaats was om informatica te gaan studeren. Toen m'n jongste kinderen vorig jaar zo ver waren, was er in elk geval de Keuzegids Hoger Onderwijs. Die is nog niet geincorporeerd. Scholen hebben 'm niet altijd staan, decanen werken er niet altijd mee, maar hij is er wel. En er zijn ook andere signalen. De pabo's die van mij een gele kaart hebben gekregen, zijn zich wild geschrokken. Een negatief oordeel van een visitatiecommissie slaat bij de mensen in een hogeschool of universiteit in als een bom. Studenten zullen een opleiding nooit alleen uitkiezen op kwaliteit, maar het zal wel zwaarder mee gaan wegen.”

“Ik vind het wel van belang om het ministerie bijeen te houden, om niet als het ware twee ministeries te laten ontstaan, een voor hoger onderwijs en een voor de rest. De minister moet ook voor het hoger onderwijs een boodschap hebben. Nee, dat is absoluut niet een andere manier van zeggen dat Tineke Netelenbos niet de meest geeigende figuur is om het ministerschap over te nemen. Al realiseer ik me dat er binnen het hoger onderwijs zekere voorkeuren heersen.” Daar wordt geflirt met het idee dat partijgenoot Job Cohen maar minister moet worden - hij was in 1993 een jaar staatssecretaris voor het hoger onderwijs - of anders de VVD'er Loek Hermans, ook al beperkt diens bekendheid met het hoger onderwijs zich ertoe dat hij een advies schreef over de studiefinanciering.

Op de Wereldbank verheugt Ritzen zich alsof de functie die hij daar krijgt eigenlijk een logische vervolgstap is voor een voormalige minister van onderwijs. “Als je denkt dat onderwijsproblemen nationale problemen zijn, dan heb je het mis. De hoogte van het collegegeld, de vraag hoe groot een klas leerlingen moet zijn, of wat je kunt doen aan uitval, dat zijn allemaal problemen die ze overal ter wereld hebben. Ik heb bij de Wereldbank de afgelopen drie jaar een club voorgezeten van mensen die ondersteuning gaven wat betreft het human resource development. Dat is bij de Wereldbank een club van 750 man, van wie er 250 over onderwijs gaan. Een paar maal hadden ze er een vacature, maar die kwam voor mij telkens te vroeg. Nu was er geen vacature, maar zeiden ze: 'kom bij ons'.

Want een ander trekje van onderwijsbeleid is dat het er overal ter wereld altijd om gaat dat je mensen bindt, dat je draagvlak vindt. Daar heb ik onderhand enige ervaring mee. Dus ik ga ministers van onderwijs adviseren, als een soort ambassadeur voor het poldermodel. En de bedoeling is ook een brug te slaan tussen verschillende externe adviseurs. Als een rijk land als Nederland een extern advies wil, dan kloppen we aan bij de OESO. Een land als Polen zal naar de Wereldbank gaan, een land als Indonesie naar het IMF. Dat kan beter gestroomlijnd worden dan het nu is, al heb ik er geen operationele bevoegdheden in.

Breman, de ontwikkelingsdeskundige, zei het laatst nog: de harde regels van het IMF dalen altijd neer op de mensen in de dessa. Dat kan aanzienlijk beter.''

Als Nederlands minister van Onderwijs had Ritzen de afgelopen jaren met enige regelmaat contact met de nieuwe roerganger in Indonesiâ, de voormalige technologieminister Habibie. Nadat zijn collega van Ontwikkelingssamenwerking, Pronk, de woede van de Indonesische regering had gewekt door de mensenrechtensituatie daar te kritiseren, ging Ritzen naar Indonesiâ en verrichtte hij wat herstelwerk. Nu nam diezelfde Habibie het roer over van Soeharto.

Ritzen hoort niet tot het leger Habibie-critici. Best mogelijk dat minister Pronk Habibie omschreef als 'iemand die hij vaak heeft gemeden', maar Ritzen ziet dat anders. “Enerzijds denk ik niet dat hij heel lang het bewind zal voeren, omdat hij heel lang met het Soeharto-regime verbonden is geweest. Maar ik ben iemand die Habibie hoog heeft. Het is een sensitieve man, met visie en met een beeld van vooruitgang, al hing er aan zijn plannen wel een enorm prijskaartje. Toen ik hoorde dat Habibie Soeharto opvolgde, heb ik intern, ook tegen Pronk, gezegd: 'Pas op, Habibie wordt ernstig onderschat'. Wat mij betreft verdient hij echt het voordeel van de twijfel. Twijfel, vanwege de mogelijkheid van nepotisme. Voordeel, omdat hij onvermoede mogelijkheden heeft.”

“Je moet ontzettend oppassen om over een land als Indonesiâ te beweren: die kunnen geen vliegtuigen maken. Het is een eigen keuze van een land of ze dat doen of niet. India en Egypte zijn geslaagde voorbeelden. Je moet niet alleen maar sweatshirts willen maken. Het westen sprak in 1972 nog over Korea als een land waar je alleen maar sweatshirts kon laten maken. Dat land heeft zich niet dankzij, maar ondanks het westen ontwikkeld. Habibie wordt op het moment in de pers te eenzijdig neergezet. Maar met papegaai-geluiden heb ik altijd een beetje moeite.”

mailIcon print |