*

 
dossier

Archief

Miljoenen marcheerden de dood tegemoet mede dankzij de dienstplicht

HUIB GOUDRIAAN − 03/02/96, 00:00

DEN HAAG - Het begon met de 'levée en masse', de oproep aan de burgers in 1792 zich massaal in de strijd te werpen voor de Franse revolutie. Bijna honderd jaar later, in de Frans-Duitse oorlog van 1870-'71, lieten beide partijen elk een miljoen man opkomen. En in de gehaktmolen van de Eerste Wereldoorlog, tussen 1914 en 1918, marcheerden miljoenen tegen wil en dank naar de loopgraven. Mede dankzij de militaire dienstplicht.

In Nederland viel het startschot voor de verplichting de natie als militair te dienen in 1815 met de eerste eigen Militiewet. Of de burgerij er altijd zo blij mee is geweest? “Wie 180 jaar dienstplichtgeschiedenis overziet, krijgt de stellige indruk dat de bevolking de dienstplicht overwegend koel tegemoet is getreden. Slechts wanneer 's lands veiligheid ernstig in gevaar komt, lijkt deze houding in meer of minder warme genegenheid te verkeren”, constateert de militair historicus professor dr. Herman Amersfoort.

Geliefd

De Nederlanders mogen dan nooit hebben staan trappelen om soldaat te worden, voor regeringen was de dienstplicht een geliefd instrument. Begin deze week is met de afschaffing van de opkomstplicht in Nederland de militaire dienstplicht dan ook niet definitief naar de rariteitenwinkel verwezen. Het ministerie van defensie hecht bijvoorbeeld sterk aan de formulering dat de opkomstplicht is 'opgeschort'. Met andere woorden: de dienstplicht is alleen in de koelkast gezet.

Defensiewoordvoerder Robert Wester zegt: “Indien een bedreiging van de internationale veiligheid weer een groot leger zou vereisen (zoals in de Koude Oorlog), kunnen in principe dienstplichtigen weer worden opgeroepen. De Tweede Kamer heeft in mei 1993, bij aanvaarding van de Prioriteitennota, ingestemd met opschorting van de opkomstplicht. Het inschrijven van mannen die achttien jaar zijn geworden, is gebleven.”

Omdat de dienstplicht tot nu toe niet was opgelegd aan vrouwen, blijft de inschrijving ook alleen gelden voor mannen. In een brief van de staatssecretaris van defensie (11 december 1985) wordt als argument voor de vrijstelling van vrouwen van de militaire dienstplicht aangevoerd, dat een dienstplicht voor vrouwen hun achterstand nog zou vergroten.

In deze motivering zal een rol hebben gespeeld dat dienstplichtigen geen loon of salaris kregen, en meestal een studie-achterstand opliepen. Amersfoort, plaatsvervangend hoofd van de sectie militaire geschiedenis van de landmacht, wijst erop dat de dienstplicht 'verslavend' werkte voor machthebbers doordat er 'grote aantallen goedkope soldaten' beschikbaar waren. “Ook en vooral is het een goedkoop systeem, omdat de opeenvolgende regeringen steeds op het standpunt hebben gestaan dat de dienstplichtigen geen loon hoeft te worden betaald, maar dat het verzorgingsbeginsel volstaat”, zei Amersfoort vorig najaar bij de aanvaarding van zijn hoogleraarschap militaire geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. “De dienstplicht kreeg al kort na 1815 zijn huidige vorm als een belastingheffing in natura”, oordeelt hij. Professor Amersfoort, gespecialiseerd in het thema, verheelt niet dat de dienstplicht zich in Europa ontpopte 'als één van de instrumenten van de totale oorlog en door de generaties van 1914-1918 en van 1939-1945 werd geassocieerd met dood en verderf op een nauwelijks te bevatten schaal'.

Kunnen we zeggen dat met het verdwijnen van de grote dienstplichtigenlegers ook de totale oorlog, waaronder Europa in twee wereldoorlogen zo heeft geleden, tot het verleden behoort?

Amersfoort: “Nog steeds kan de oorlog een totaal karakter krijgen. De kans daarop verdwijnt niet met de opschorting van de dienstplicht in Nederland. Een voorbeeld daarvan is het militaire conflict tussen Iran en Irak in de jaren tachtig, dat acht jaar duurde. Die oorlog voldeed aan een groot aantal karakteristieken van de totale oorlog. Politici kunnen onder de huidige omstandigheden een dienstplichtigenleger niet langer aan de kiezers verkopen. Nederland houdt op het ogenblik geen rekening met een grootschalig militair conflict, omdat de internationale situatie dat niet rechtvaardigt.”

“Verder was na de ineenstorting van het communisme het zogeheten vredesdividend - de besparingen op defensie - een belangrijk argument voor inkrimping van de krijgsmacht. Ook werd het draagvlak in de samenleving voor een leger van hoofdzakelijk dienstplichtigen te gering. De dienstplichtwet drukte op slechts een kwart van de leeftijdsgroep die moest opkomen, een maatschappelijk onhoudbaar wordende situatie. Maar het wettelijk instrumentarium voor een dienstplichtigenleger is gebleven. Niemand weet immers of we dat instrumentarium in de toekomst weer nodig zullen hebben.”

Zal halverwege de volgende eeuw de huidige trend naar kleine hoog gespecialiseerde beroepslegers worden gezien als het begin van het einde van de oorlogen met massale aantallen militairen?

“Kort na de Eerste Wereldoorlog waren er militaire denkers als De Gaulle, (de latere Franse president), de Duitser Von Seeckt en de Brit Liddell Hart, die schreven dat de tijd van de massale legers voorbij was, dat die leidden naar een uitputtingsoorlog. Volgens hen was de toekomst aan kleine beroepslegers gericht op mobiele oorlogvoering. Maar de Tweede Wereldoorlog liep uit op een combinatie van het gebruik van hoogwaardige technologie en tòch weer de inzet van grote aantallen mensen onder de wapenen. Bovendien bleek door grote verliezen, zoals voor Duitsers en Russen aan het Oostfront, massale aanvulling met dienstplichtigen een noodzaak. Of ook in de toekomst dienstplichtige militairen nodig zullen zijn, hangt af van aard en duur van toekomstige conflicten. En vooral van de vraag of bij die conflicten de belangen van de Nederlandse staat en van het Nederlandse volk rechtstreeks in het geding zijn. òf die situatie zich op de wat langere termijn ooit nog zal voordoen weet niemand.”

Ziet u in een beroepsleger niet het gevaar van een naar binnen gerichte elitaire club zonder bindingen met de samenleving?

“Die dienstplicht in zichzelf is niet onvervangbaar voor een open verhouding tussen burgermaatschappij en krijgsmacht. De democratische samenleving als geheel, de politiek, vooral het parlement, de media en de militaire vakbonden kunnen een bemiddelende en toeziende rol spelen in die relatie.”

“Bovendien zijn ook beroepsmilitairen burgers van dit land, en niet meer opgesloten in de kazerne zoals in de achttiende eeuw. De winst van de vermaatschappelijking van de krijgsmacht dankzij het dienstplichtigenleger, verdwijnt niet met de komst van beroepsmilitairen. Een land als Engeland, de oudste democratie, heeft trouwens altijd - met uitzondering van de periode van de twee wereldoorlogen - een beroepsleger gehad.”

mailIcon print |