SOFIA - “De mensen zijn volgens mij een beetje in verwarring”, zegt Dimitri als we maandagmiddag op weg zijn naar de massa-betoging die een vast onderdeel is geworden van het leven in de Bulgaarse hoofdstad.
“In de tram waar ik net in zat was een kaartjescontroleur bezig. Hij had twee keurige dames betrapt op zwartrijden. Toen had je de andere trampassagiers moeten horen. Wat dat voor communistische streken waren. Waarom-ie niet staakte, net als alle fatsoenlijke mensen. En dan te denken dat die arme man alleen maar wat geld probeerde te regelen voor het (door de oppositiepartij UDF gedomineerde, red) gemeentebestuur van Sofia. Dat zijn nou uitgerekend de mensen die de oppositie-eisen van harte steunen...” Dimitri moet er smakelijk om lachen.
Een paar dagen na de kloppartijen in en rond het Bulgaarse parlement is de sfeer alweer een stuk minder gespannen. Het politiecordon rond het gebouw is aanmerkelijk uitgedund en op het aangrenzende Aleksander Nevski-plein is de stemming bijna jolig. “Ik ben hier uit solidariteit met mijn leerlingen”, zegt een 50-jarige lerares Duits die zich met groot gemak temidden van de tienduizenden oppositie-aanhangers weet te bewegen. “Onze kinderen moet een perspectief worden geboden en dat gebeurt niet onder de communisten”. Haar collega valt haar bij. “U moet wat hier gebeurt niet verwarren met de demonstraties in Belgrado die we natuurlijk allemaal op de televisie hebben gezien. Waar het bij ons om gaat is dat de mensen honger hebben. Goed, ik kan nog wel brood kopen, maar de gepensioneerden kunnen dat geld echt niet of nauwelijks bijeen brengen. We zitten hier in een diepe economische crisis”.
Van de betogers zegt vrijwel niemand de demonstratie bij te wonen in de hoop er zelf beter van te worden, het gaat allemaal om de kinderen. “Ik ben hier om mijn eer als man te redden”, zegt een 40-jarige orthodoxe priester. “Ik wil mijn vier kinderen recht in de ogen kunnen kijken als ze me later vragen wat ik deed toen hun toekomst op het spel stond.”
“Zal ik je een goeie mop vertellen?”, vraagt een dikke man van een jaar of vijftig, die kennelijk al een hartversterking tot zich heeft genomen. “Wat hebben varkens en communisten met elkaar gemeen?” Hij kijkt triomfantelijk in het rond als hij de pointe debiteert: “Voor allebei heb je een slager nodig wil je er iets aan hebben.” Het groepje mannen om hem heen barst in lachen uit. Het sentiment lijkt een beetje uit de toon te vallen. Op de vraag of dit niet wat ver gaat wordt ontkennend gereageerd: “De enige goeie communist is een dooie communist”, verklaart een gepensioneerde mijnwerker op een toon die geen twijfel duldt. “Onze koning Simeon moet terugkomen, dat is de enige manier waarop Bulgarije nog te redden valt”, zegt een kalende, goedgeklede vijftiger. “Kijk naar beschaafde landen als Zweden, Denemarken, Spanje, Nederland en Groot-BrittanniĆ«!”
De versleten kleding van een echtpaar van in de zestig suggereert dat ze het moeilijk hebben en bij uitstek behoren bij de slachtoffers van Bulgarije's economische rampspoed. Na enig aandringen blijken Maria en Ivan bereid een paar vragen te beantwoorden over hun benarde levensomstandigheden. Ivan wil eerst kwijt dat ze hier heus niet zijn omdat ze het zo moeilijk hebben. Ze doen mee om de democratie te steunen. Ook Maria zegt de betoging in de eerste plaats bij te wonen in het belang van de kinderen, maar geeft dan toch toe dat ze het bijna onmogelijk vindt om rond te komen van haar pensioentje als oud-modiste, omgerekend acht dollar per maand. “En ik heb een hartkwaal, daar moet ik ook nog medicijnen voor betalen”, zegt ze. “Meer geld heb ik echt niet”.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.