*

 
dossier

Archief

KWAADAARDIG (14)

JOS TEMMINK − 10/04/96, 00:00

Op een januaridag in 1993 bevestigde de arts haar angstige vermoeden: Jos Temmink heeft kanker. Er volgden onderzoeken, ziekenhuisopnamen en operaties. Jos Temmink hield een dagboek bij van haar dagen van hoop en vrees. In de rubriek 'Kwaadaardig' staan fragmenten uit dit persoonlijke verslag. Deel 14

Nieuwe inzichten, andere artsen. De vrouw hoort me aan. Haar desinteresse had een waarschuwingsbelletje moeten doen klingelen. Ze laat me nauwelijks uitpraten. Er zijn nog geen vijf minuten verstreken als ze zegt: “Ik keur u voor honderd procent goed.” Volledig werken? Het heerlijke, maar gestresste bestaan van de journalistiek weer in? Overuren? Veldwerk? Ik heb er alles voor over, maar weet dat ik dàt nog niet bolwerk.

Ze bladert in mijn dossier en zegt: “U gaat gewoon weer aan het werk. U kunt zich immers volgende week weer ziek melden. Ik meld me ook ziek als ik een griep heb.” Ik zou willen schreeuwen, haar uitschelden, ter verantwoording roepen. Griep? Ik heb kanker! Ik zeg niets. Ben tè diep gekwetst, teveel met stomheid geslagen. Wel weet ik nog uit te brengen. “Ik blijf werken. Zo vaak en zoveel als mijn lichaam dat toelaat. Maar ik protesteer tegen deze uitspraak en handelwijze.”

We zijn een week en drie dreigbrieven verder. Aangetekend wordt me verteld, dat ik bij de arbeidskundige moet komen. Verzuim ik, dan riskeer ik mijn uitkering. Ik ben niet van plan te verzuimen. Waarom dan die dreigbrieven? Het is op z'n minst klant-onvriendelijk. Ik begrijp de dagelijkse berichtgeving over de onmenselijke invulling van de nieuwe WAO-wet nu beter. Het lijkt wel of iedere zieke een zakkenvuller op staatskosten is geworden.

De arbeidskundige lijkt in eerste instantie meer begrip te hebben. “De arts had niet zo mogen handelen. Kanker is geen griep. Natuurlijk bent u geen profiteur. Dat heeft u immers door uw werken wel bewezen.” Enzovoort, enzovoort. Wat me een week geleden, slechts één deur verder, werd verteld, wordt teruggedraaid. Honderd procent ziek, dat ben ik. “Dus niet meer werken, mevrouwtje. U hebt recht op de WAO. Geniet er maar van.”

Opnieuw zit ik met de mond vol tanden. Opnieuw moet ik om werk gaan drammen. Voor de uren die ik kan behappen. Niet meer, maar zeker niet minder. Met vage toezeggingen en beloftes word ik naar huis gestuurd. Enige ongerustheid kan ik niet van me afzetten.

24 SEPTEMBER 1994

Weer maak ik de gang naar het GMD in Haarlem. De arbeidskundige begroet me als een oude bekende. Het is voor elkaar. Ik mag werken. Maar wel voor de volle honderd procent. Niet als journaliste, want dat kan ik niet aan, zegt hij. Telefoniste, dàt is de oplossing. Of misschien is er een andere baan. Telefonische advertentieverkoop wellicht?

Hij mijmert verder. Zoekt serieus naar een oplossing voor het door hem geschapen probleem. Baantjes die ik niet ambieer passeren de revue. Baantjes die niet nodig zijn. Ik kan toch, met enige beperkingen, mijn eigen werk doen? Ook mijn werkgever vindt dat. Ik val hem in de rede. “Ben ik soms een Bonsai-boompje geworden,” vraag ik. Hij valt stil. Kijkt me niet begrijpend aan. Dan gaat hem een licht op. De kranten melden immers over WAO-ers die in de tuinbouw moeten gaan werken. Een sector die om personeel zit te springen. Het gedwongen snoeien van deze miniatuurboompjes, zelfs door volledige invaliden, wordt door de pers lacherig als voorbeeld gesteld. De 'deskundige' vindt het, mèt mij, een goede mop. “Nee, zover wil ik niet gaan. Ik zoek echt passend werk voor u,” durft hij me te antwoorden.

Ik zeg hem, dat ik in beroep ga. Ik wil werken in mijn eigen werk en voor de tijd die ik aankan. Alle paniekvoetbal van artsen en arbeidsdeskundigen van de controlerende instanties ten spijt.

mailIcon print |