T/m 2-7, Stedelijk museum in Amsterdam, dag. 11-17 uur.
Mahler, in de afgelopen weken uitbundig herdacht op en aan het Museumplein, is volgens Fuchs een gematigd revolutionair, die de muziek van zijn tijd heeft opengebroken, omgeploegd waar het de klassicistische schema's betrof. In het vijfde Couplet wordt het expressionisme bezongen, een stroming die zich in deze eeuw drie maal heeft gemanifesteerd en in alle gevallen een punt achter dat klassicisme heeft gezet.
Met zijn Coupletten heeft Fuchs een adequate vorm gevonden om binnen niet al te streng afgeperkte kaders ideeën over de kunst van deze eeuw - de kunst van het Stedelijk immers - weer te geven. Het zijn niet de opvattingen van een historicus die pogingen doet om kunsttheorieën te her-analyseren, er is sprake van een vrije, dichterlijke interpretatie van tijdsverschijnselen. Liet Fuchs voor zijn komst in Amsterdam al zien (in het Haags Gemeentemuseum, maar ook op de Documenta in Kassel) dat werken van verschillende intentie toch een mooie samenspraak kunnen leveren, in de Coupletreeks heeft hij deze opvatting veel verder uitgewerkt. In deze aflevering contrasteren de werken niet zozeer met elkaar als wel met het muzikale thema dat door de titel 'Dansende meisjes' wordt ingegeven. Dat is dan wel een ongezien onderwerp, want het gelijknamige schilderij van Kirchner ontbreekt op deze expositie. Je moet bij Fuchs altijd zo diep mogelijk interpreteren om achter de betekenis van de titel te komen, maar in dit geval is ze er wel erg met de haren bijgesleept.
Eén ding is wel duidelijk: het ging en gaat in het expressionisme vaak om wat de Engelsen zo mooi de standing figure noemen, de menselijke verschijning die al dan niet wiebelend op één, of - in noodgevallen - op beide benen staat. Dit klassieke thema in de schilder- en beeldhouwkunst (direct ontleend aan de modeltekenkunst waar elke academische opleiding haar basis in vond) leefde bij de expressionisten voort. Zij gaven er weliswaar een nieuwe visie op, maar deden dat op een gematigde wijze en zeker nooit zo revolutionair als de abstracten. Couplet 5 laat een afgezwakt pamflet zien, waarin de vernieuwingen in de kunst van deze eeuw nog doorklinken, maar eerder op fluistertoon dan luidkeels uitgesproken.
Van het vroege expressionisme haalde Fuchs vooral Kirchner naar voren, die met zijn snelle tekeningen in dit milieu uiterst actueel blijkt te zijn. Ook Ernst Wilhelm Nay, Emil Nolde en Oskar Kokoschka krijgen aandacht, vaak met heel mooi werk, dat niet zozeer essentieel voor het expressionisme is, als wel voor hun eigen ontwikkeling. Ze lijken de Nederlandse bijdrage aan het vooroorlogse expressionisme met Kruyder, Wiegers en Werkman flink te willen bekritiseren. De heftigheid waarmee ze hun landschappen oplaadden, werd in Nederland zelden of nooit geëvenaard, beducht als veel Ploeg- en Bergense Schoolleden waren om de binding met de esthetiek te verliezen.
Anders werd dat ten tijde van de tweede golf van het expressionisme, dat zich aan het einde van de jaren veertig manifesteerde. Fuchs haalt Asger Jorn en Karel Appel erbij (opnieuw met standing figures, langzamerhand het handelsmerk geworden van deze Cobra-schilder), maar besteedt er verder weinig aandacht aan. Een materieschilder als Jaap Wagemaker laat hij links liggen, wat jammer is, omdat er elders op de expositie wel aandacht voor de materiekunst is (Eugène Leroy, Marc Mulders en de door Fuchs steeds weer ontdekte Emilio Vedova).
Een gebrek aan historisch besef plaagt Fuchs trouwens wel meer. Met zijn wens om 'langs de randen van het expressionisme' te gaan, waarbij hij nooit de essentie van de stijl hoeft aan te halen, vergat hij zomaar Soutine te tonen. Juist waar hij van het werk van Marc Mulders is gecharmeerd, had hij diens voorkeur voor onderwerpen als opengescheurde torso's en karkassen prachtig van een achtergrond kunnen voorzien. Mulders is binnen de Nederlandse traditie een heel klassiek schilder, die via Soutine op de zeventiende eeuwers Rembrandt en Van Ostade teruggrijpt. Hij begint trouwens steeds minder thematisch te schilderen, bereikt gaandeweg de abstractie die een lyrisch accent heeft.
Dit herwaarts kijken om er achter te komen wat de klassieke schilderproblemen èn hun oplossingen waren, speelt een even grote rol in de derde en in deze eeuw waarschijnlijk laatste grote golf van expressionisme die zich aan het einde van de jaren zeventig voordeed. Geen Baselitz en Lüpertz, die toch beiden de standing figure als thema hebben geschilderd en ook geen Francis Bacon koos de samensteller, maar Hermann Nitsch (die als Wiener Aktionist niet langer met het bloed van in situ geslachte geiten schildert, maar gewoon donkerrode verf gebruikt), zijn landgenoot Arnulf Rainer met heel zwakke overschilderingen van microscoopbeelden en Christian Ludwig Attersee, een Oostenrijkse Nieuwe Wilde wiens werk haaks staat op de zwaarwichtige en van somberheid doortrokken doeken van zijn twee landgenoten.
Fuchs laat dit Couplet in schoonheid eindigen door Rob Birza de laatste regels te laten zingen: niets geen wildheid meer, maar zuivere esthetiek.
Drama, bloed, existentiële benauwdheid, Fuchs heeft deze keer een Dionysische weg bewandeld. Hij kondigde al aan het volgende Couplet over die andere revolutionaire beweging in de 20ste eeuw - de abstracte kunst - te laten gaan. Ook dat belooft een spannend gedicht te worden, een Apollinisch ditmaal.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.