*

 
dossier

Archief

Foutieve beeldspraak: Christenen lezen niet in 'andermans post'

GERDA HOEKVELD-MEIJER − 11/02/97, 00:00

De auteur is theoloog (Oude Testament) en visitator van de Ned. Herv. Kerk.

In de eerste plaats zijn de schrijvers van het Nieuwe Testament net zo joods als die van het Oude testament en schreven zeker drie evangelisten aan Joden. Zou rabbijn Marx gelijk hebben, dan is ook een deel van het Nieuwe Testament voor de Christen 'andermans post'. In de tweede plaats suggereert het beeld van steels lezen de schending van een collectief copyright, alsof zo'n collectief copyright op ideeën zou bestaan.

In de derde plaats hebben joodse verhalenvertellers in een zeer ver verleden 'hun' God beschreven in termen van de toenmalige wereldgodsdiensten. Ook Baül (= Heer) is een Jaloerse God en heet 'Herder', 'Geneesheer', net als de Egyptische zonnegod Amun-Re en de Ugaritische oorlogsgod Hadad. Wat dat betreft doet Ter Linden niets nieuws wanneer hij het OT navertelt ten behoeve van 'zijn' volk. Het vierde bezwaar is dat de beeldspraak suggereert dat de Joden Gods universele boodschap voor zichzelf willen houden. Deze beeldspraak is heel gevaarlijk, omdat het van een universele God een nationale God maakt.

Het vijfde bezwaar is dat de post helemaal geen liefdesbrieven bevat, maar bestaat uit een leerboek en een bundel pamfletten (profetieën) die zijn gericht tegen Israël en de rest van de wereld. Mogen de volkeren de aan hen gerichte post niet lezen? Het leerboek is een les der geschiedenis, geschreven vanuit de optiek van de wet van Mozes. In dit leerboek is Israël niet een geïsoleerd object, losgesneden van zijn omgeving, maar ingekapseld in de geschiedenis van de wereld. De wereld is de helft van het verhaal. Hebben de buren (de wereld) soms geen boodschap aan de geschiedenis die zij samen met Israël schreven en nog steeds schrijven?

Nu de andere kant. Komt Jezus in het OT voor? Ja zeker, als de afgod Baül. Hij noemt zich toch 'de goede herder' en geneest mensen, net als Baül? Nee dus. Jezus is Baül niet. We moeten dus oppassen met identificaties. Als de profeet Jesaja zichzelf als 'heilbode' ziet 'op wie de geest des Heren rust', dan is hij die heilbode en niet Jezus op wie eeuwen later ook de geest des Heren rust. Maar christelijke bijbeluitleggers hebben de nijging hun ogen te sluiten voor evidenties in de taal - vermoedelijk omdat Paulus dat zo wil. Maar Paulus is geen paus, hij is niet onfeilbaar.

En dat weet bijvoorbeeld Marcus. Deze schrijver opent zijn verhaal over Jezus met de zin: dit is het begin van de goede boodschap van Jezus. Die boodschap begint met een les der geschiedenis. Het is een terugblik, geen uitkomende voorspelling. Dat blijkt als je het citaat dat Marcus gebruikt niet uit zijn verband (context) rukt. Toen Jeruzalem voor de eerste keer in zijn geschiedenis dreigde verwoest te worden, kreeg de koning (Hizkia) berouw en bad om verlossing. Hij trok niet ten strijde en sloot ook geen pact met de vijand (Egypte) van zijn tegenstander (Assyrië). De legers van de Assyriërs verdwenen als bij toverslag.

De herinnering aan dit politieke wonder (opgetekend in de tekst die aan Jesaja 40 vooraf gaat en in neutralere bewoordingen ingekrast in het Rassam Prisma van Assyrische vorst Sanherib, 705-681 voor Chr.) is het begin van de goede boodschap van Jezus. En dat is zeer wel te begrijpen, want Marcus schrijft zijn boekje in de jaren dat Jeruzalem opnieuw belegerd wordt, dit keer door een Romeins leger. De politieke verhaalcontext herhaalt zich. En de goede boodschap van Jezus (en niet over Jezus), volgens Marcus uiteraard, begint dus zo: 'Hebt berouw en gelooft het evangelie', namelijk de boodschap van Jesaja die het verhaal van het politieke wonder verbond met de oproep in Jesaja 40 om na de redding ook de maatschappij te hervormen en niet terug te vallen in hoogmoed (Jesaja 39). Marcus gebruikt Jesaja als bewijsmateriaal dat berouw het begin (de eerste stap) is van een nieuwe toekomst. Wie in het citaat dat Marcus gebruikt, leest dat Jesaja erin de komst van Jezus voorspelt, leest niet waar het Jesaja om te doen is.

De boodschap van Jesaja die Marcus met instemming citeert is bepaald geen liefdesverklaring. Ook zie ik geen reden waarom christelijke ogen alleen met Oudtestamentische teksten 'voorzichtig' moeten omgaan. Een nuttiger advies lijkt mij dat christenen zich bezinnen op de vraag waarom wij al zo lang in de vier verhalen over Jezus niet lezen wat er staat.

mailIcon print |