Jaap de Vries: 'De koning en de koningin', Moon Press, 54 p, ¿ 19,50; Letitia Cella: 'Pino Topino', ill. Han Janken, vert. Maria van Donkelaar, Lemniscaat, 59 p, ¿ 19,50, beide v.a. 6 jaar.
Onlangs verscheen bij Moon Press zijn kinderboekdebuut 'De koning en de koningin'. Het is een piepklein boekje, uitgekomen in een reeks sprookjesbewerkingen die menig bibliofiel doet watertanden door hun originaliteit, goede afstemming van tekst en tekeningen, en uitgekiende vormgeving. Zo maakten Imme Dros en Harrie Geelen in deze serie 'De wolf die tegen water praatte' (1991), Wim Hofman 'Klein Duimpje' (1991) en Peter van Gestel en Peter van Hugten 'Prinses Roosje' (1994).
'De koning en de koningin' is binnen deze reeks een buitenbeentje. De illustraties domineren, en het is geen bewerking maar een nieuw 'sprookje': een verhaal dat wel motieven uit volkssprookjes bevat, zoals een machtswellustige heks met kraai en bezemsteel, maar verder een eigenzinnige, grillige auteursvertelling is.
De koning en de koningin, dezelfde als die in MikMak, vormen een lekker ongecompliceerd stel: de koning spaart schelpen, de koningin is dol op bergbeklimmen, en af en toe regeren ze een beetje. Als de koning zijn gemalin voor haar verjaardag nu eens geen schelp geeft maar een ei waar een slang uit komt, gaat er heel wat mis. De koningin-moeder wordt ziek, en de heks Mathilde wordt gehaald om haar te genezen. Dan gaat Mathilde zelf voor koningin spelen en moet er een kordate hofdame aan te pas komen om weer orde op zaken te stellen.
Er is iets onevenwichtigs met het boekje. De met een ragfijn pennetje getekende prentjes zijn op zich prachtige composities in zwart, grijs en wit, het verhaal is lekker gek, maar nóch tekst, nóch tekeningen komen tot hun recht. Ze zijn losjes, maar te dicht op elkaar over de pagina's verdeeld, waardoor ze elkaar storen en de pagina's een chaotische, volgepropte indruk maken. Het is alsof het oorspronkelijk een stripverhaal is, waarvan tekst en tekeningen uit elkaar getrokken zijn, maar niet genoeg uit elkaar. De tekst zelf is met zijn korte zinnen nog te veel een striptekst, al is de milde humor daarin fris als een glaasje prik.
Ook is gekozen voor een drukletter; wel een fijn lettertje, maar grafisch vormt het geen eenheid met de illustraties, zoals wel het geval is met De Vries' handschrift in de MikMakstrips. Hierdoor is het geheel vlees noch vis: geen stripverhaal en geen geïllustreerd verhaal. Nu is vormgeefster Renée Koldewijn niet de eerste de beste: zo ontwierp ze bijvoorbeeld de schitterende Bijenkorf-uitgave 'Ali Baba en de veertig tekenaars' absoluut een der best verzorgde boeken van 1995. Maar hier heeft ze te priegelig gewerkt en te weinig gestructureerd. De illustraties vragen om meer rust, en het bizarre verhaal om een duidelijker hoofdstukindeling. Dat neemt niet weg dat er heel veel te genieten valt aan het boekje, juist in de filigrain-achtig fijne details. Maar het is alsof je met een loep naar die details moet kijken en de rest van de pagina afdekken om eruit te halen wat erin zit. Jaap de Vries is een veelbelovend talent, maar zijn werk verdient letterlijk meer ruimte.
Een andere opmerkelijke beginnende illustrator is Han Janken. Hij debuteerde in 'Hemelhoog op de regenboog' van Paul de Moor (1995) met markante potloodtekeningen waarin de invloed van Ted van Lieshout en Wim Hofman zichtbaar was. In het recente 'Pino Topino' van Letitia Cella is die beïnvloeding verdwenen en lijkt de tekenaar meer zichzelf geworden. De prenten zijn minder pretentieus, losser en soepeler. Bij Han Janken lééft het potlood, met zijn afwisseling van scherpe en vage lijnen, gevoelige grijzen en diep zwart. Alleen komt dat diep zwart door de afdrukkwaliteit minder tot zijn recht dan in 'Hemelhoog'.
'Pino Topino' is een sprookjesbewerking. Zoals Imme Dros in 'De wolf die tegen water praatte' Roodkapje opnieuw vertelt vanuit het standpunt van de wolf, zo vertelt de Italiaanse Letitia Cella in 'Pino Topino' Assepoester vanuit het gezichtspunt van de muis die koetsier wordt op de koets naar de balzaal. Die muis, Pino Topino, woont in een donkere kelder vol rommel en vindt het maar niks als daar op een dag een indringer verschijnt die alles schoon poetst. Het is een meisje, in vodden gekleed, dat in de kelder opgesloten wordt. Het verhaal vertelt niet waarom het meisje naar het bal gaat, maar wel hóe. De schrijfster laat een warm contact tussen het meisje en de muis ontstaan, waardoor het begrijpelijk is dat Pino Topino een truc bedenkt om de prins met het glazen muiltje naar de kelder te lokken. Alleen het romantische staartje aan het verhaal, waarin Pino verliefd wordt op een muizemeisje, had niet gehoeven.
'Pino Topino' heeft niet de psychologische diepgang die 'De wolf die tegen water praatte' kenmerkt. Het is vooral een vriendelijk voorleesverhaal met een uitstekende balans van tekst en tekeningen. En jonge kinderen zullen behalve van het verhaal op zich ook genieten van de ontdekking dat het over Assepoester gaat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.