Ferdinand van Dam presenteert ons in zijn Podium-artikel van 4 juli een analyse die wel erg gebonden is aan zijn eigen in de jaren '70 en '80 opgedane ervaringen met ontwikkelingssamenwerking. Vanuit zijn economische achtergrond ziet hij in het Nederlandse beleid van de afgelopen twintig jaar twee benaderingen, die om beurten de boventoon hebben gevoerd. Ten eerste de integratie van arme landen in de geïndustrialiseerde wereld op basis van gemeenschappelijk te maken afspraken. En de tweede benadering was het confrontatiemodel, waarbij machtsvorming door ontwikkelingslanden de rijke landen tot concessies zou moeten dwingen. Minister Pronk is volgens Van Dam de man van de confrontatiestrategie.
Aspecten van de huidige praktijk van ontwikkelingssamenwerking kunnen bij Van Dam ook alleen maar binnen die twee op economische visies gebaseerde strategieën een plaats krijgen. Zaken als mensenrechten en humanitaire hulp plaatst hij helaas uitsluitend in dat kader.
De praktijk van internationale samenwerking is echter in de loop der jaren aanzienlijk veranderd en behelst heel wat meer dan alleen maar economische kaders. Wie 'Een wereld van verschil - Nieuwe kaders voor ontwikkelingssamenwerking in de jaren negentig', het beleidsdocument van Pronk uit 1990, aandachtig leest, vindt daarin veel antwoorden op de vragen die Van Dam stelt.
Mondiaal
Er is in het beleid van Pronk niet zo zeer sprake van een confrontatiestrategie, maar van een besef van mondiale problematiek. Het hele tweede hoofdstuk van 'Een wereld van verschil' gaat over de vervagende grenzen in de wereld en Pronk schetst het einde van het concept 'Derde wereld'. De uitdaging van de huidige ontwikkelingssamenwerking betreft mondiale problemen. We hebben te maken met ontwikkelingen die alle landen treffen (zij het vaak op verschillende wijze) en die een gezamenlijke aanpak behoeven.
Bij de mondiale milieuproblematiek en de sterke verarming van sommige delen van de wereld vanwaar stromen migranten komen die (terecht) ergens anders een beter leven zoeken, gaat het om zaken die zowel Brazilië, Somalië als Nederland aangaan. Vrouwen- en kinderhandel is een mondiaal probleem, dat door Burma, Thailand en Nederland samen moet worden opgelost. Daarbij gaat het om een multi-sectorele aanpak en dat is meer dan alleen maar de economische projecten en programma's waar Van Dam ervaring mee heeft.
Daar waar ik gedurende de afgelopen jaren bij activiteiten van het ministerie voor internationale samenwerking betrokken ben geweest heb ik gezien dat wat Van Dam beweert over 'steeds meer voorwaarden' die aan projecten worden verbonden, niet klopt. Zo was ik zijdelings betrokken bij onderzoeksprogramma's waarbij het aan de landen in het Zuiden werd overgelaten om prioriteiten te stellen; men liet ze niet meer bepalen door behoeften van onderzoeksinstituten in het Noorden. Dat lijkt heel logisch, maar binnen de internationale verhoudingen is dat niet altijd zo voor de hand liggend geweest. Daar werden zuidelijke onderzoekers betrokken bij plannen van noordelijke onderzoekers en vloeide 85 procent van het geld van de donoren terug naar noordelijke onderzoeksinstituten. Uit analyses blijkt bovendien dat 95 procent van de onderzoeksresultaten die op deze manier worden verkregen, op de plank blijft liggen.
Het beleid van Pronk heeft vernieuwingen op dit terrein mogelijk gemaakt. Het zorgde juist voor minder voorwaarden voor de onderzoekers in het Zuiden, maar wat meer voorwaarden voor de onderzoekers in het Noorden. Die werden gedwongen zich meer aan te passen.
Het eenzijdig kiezen van een economische invalshoek bij de beoordeling van resultaten van internationale samenwerking betekent mijns inziens dat je weinig contact hebt met de basis in het Zuiden. Zelf ben ik betrokken bij een programma dat zich bezighoudt met geslachtsziekten en aids onder migranten in Azië. Dat is ook zo'n mondiaal probleem. De groeiende economie van dat deel van de wereld trekt mensen aan uit verarmde gebieden. Die mensen lopen aanzienlijk grotere risisco's op infectie en hebben minder toegang tot informatie en voorzieningen. Migratiebewegingen stoppen bovendien niet in Maleisië of Thailand, maar bereiken ook ons land.
We moeten samen oplossingen vinden voor dit probleem. Wat voor eenvoudige interventies en voorzieningen kun je ontwikkelen voor mensen die vaak zelfs onzichtbaar zijn? De overheid in Maleisië vindt net als Van Dam zo'n programma 'overbodig en hinderlijk' en is helemaal niet blij met de inspanningen van NGO's die zich voor de migranten inzetten. De Maleisische overheid wil de anderhalf miljoen migranten (van wie een miljoen ongedocumenteerd of illegaal) nauwelijks enige status geven. Ze beschouwt hen alleen als arbeidszoekenden en negeert het feit dat mensen ook een seksuele identiteit hebben.
Irene Fernandez, die voor dit programma in Maleisië actief is, is inmiddels zelfs in staat van beschuldiging gesteld door de Maleisische overheid, omdat ze de 'vuile was' ten aanzien van die migrantensituatie heeft buiten gehangen. Er is een internationaal fonds voor haar verdediging opgezet en internationale organisaties zijn voortdurend bij het monsterproces tegen Irene Fernandez aanwezig. We hebben hier met mensenrechten te maken. Dat is een logisch onderdeel van internationale samenwerking. Daar gaan we niet op een bevoogdende manier mee om, maar het hoort wel degelijk tot onze internationale verantwoordelijkheid.
Als Ferdinand van Dam mist en onzekerheid over de toekomst van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking vaststelt, dan zegt dat veel over zijn eigen probleem gevangen te zijn in de kaders van de jaren '70 en '80. Van Dam moet de afgelopen jaren de radio en de televisie niet meer hebben aangehad, dat hij zulke zaken gemist heeft en net doet of de manier waarop hijzelf altijd over ontwikkeling heeft gedacht, ook voor de rest van de wereld geldt. Het minste dat hij had kunnen doen was zich serieus verdiepen in de kaders die Pronk voor de jaren '90 heeft voorgesteld en die ook goede suggesties bevatten voor toekomstig beleid.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.