*

 
dossier

Archief

Marktzangers waren voorlopers van krant en roddelpers

FRED LAMMERS − 16/04/94, 00:00

Er moeten er in West-Europa honderden zijn geweest, met een aantal beroemde uitschieters, die hun vak van marktzanger tot een vorm van kunst wisten te verheffen. Allen hadden met elkaar gemeen dat zij nieuws verspreidden onder de massa in een tijd dat weinig mensen konden lezen en kranten een onbetaalbare luxe waren. Marktzangers bezongen gebeurtenissen die een dorp, stad of streek beroerden, maar verhaalden ook over rampen en mirakels elders in de wereld.

Drama in allerlei vorm heeft altijd een warm onthaal gevonden bij het gros van de mensheid. Wat dat betreft is er in de loop van de jaren nauwelijks iets veranderd. De luisteraars werden op hun wenken bediend met gruwelijke details over moorden, ongelukken en pikante liefdesavonturen. Een topper op dat gebied werd het mirakel dat zich in januari 1747 voordeed in het Westvlaamse Sint-Eloois-Winkel, een dorpje ten zuidoosten van Roeselare. Het noodlot trof, zo verhaalt een bewaard gebleven liedtekst, 'een dochter, rijck en magtig van geslagte/ En van haer ouders wierdt sy wel bemint/ So dat iedereen haer quam te achten,/ En seyden: dat is een devotig kindt/ Maer Godt den Heere,/ Besoeckt ook seere,/ Die van hem gewis,/ Hier uijtverkoren is/ Godt quam die dochter met een straf te plaegen,/ Dat idereen daer in verwondert stont'. Het lied gaat dan verder over hoe het meisje in korte tijd zonder aanwijsbare reden in omvang toenam en werd getroffen door hevige maagpijnen. Na verloop van enige weken kwam de aap uit de mouw: ze was niet zwanger, zoals veel dorpsbewoners dachten, maar haar lichaam was in bezit genomen door een groot aantal padden die soms tot in haar keel sprongen. Het meisje kon ze dan met haar vingers aanraken. Dat liet ze al gauw na, want de creaturen beten venijnig. Een te hulp geroepen kluizenaar verloste het meisje van haar inwoning, waarop de moeder van het slachtoffer uit dankbaarheid een pad in zilver liet gieten en die de plaatselijke kerk cadeau deed.

Op 20 maart 1688 brak in Gent brand uit in een kostschool voor speldenwerksters. Eenentwintig meisjes kwamen in de vuurzee om. Dat was een gegeven dat inspireerde tot vele liederen. Geen detail werd het publiek onthouden. 'Dees kinders in den noot,/ Vol van benautheydt groot,/ Riepen om baet,/ Al naer het volck op straet,/ Maer, laes, gheen hulpe, want het was te laet,/ Een kindt riep met ghetraen,/ Dat sijnen Vader sagh op straete staan:/ 'Och zult ghy mij nu laeten branden'/ Dan dwanck de liefde hem hier,/ Te loopen in het vier'. Nog een slachtoffer! Het lied vertelt hoe de kinderen krijsend langs de muren kropen. Anderen sprongen uit ramen naar beneden.

Marktzangers traden in de voetsporen van de minstreels die langs de kastelen trokken om de adellijke bewoners bij het haardvuur te onthalen op balladen over liefde, strijd en overwinning. Pas na het uitvinden van de boekdrukkunst ontstond er archiefmateriaal over de marktzangers. Zij zongen hun liederen en verspreidden die tegelijkertijd in grote hoeveelheden in gedrukte vorm. De liedteksten, op vodderig papier gedrukt, werden in de regel voor een oortje (een cent) verkocht.

Omdat er van al die liedteksten bitter weinig bewaard is, zijn ze kostbaar geworden. Prof. dr. Willy Braekman in Gent, die zich intensief in de achtergronden van het marktlied heeft verdiept, ervaart dat regelmatig. “Bij antiquairs kom je ze steeds minder tegen. De periode dat huisvrouwen bij de jaarlijkse voorjaarskuizing resoluut dergelijke drukwerkjes met het oud vuil meegaven behoort voorgoed tot het verleden. Een enkele keer stuit je bij toeval nog op iets. Maar daar hangt dan wel een prijskaartje aan. Als je beroepsmatig met deze materie in de weer bent stel je echter alles in het werk zo'n tekst in handen te krijgen, omdat je daarmee in veel gevallen weer een beetje duidelijkheid kunt scheppen over een stukje vergeten verleden. Ik had dat onlangs toen ik bij een antiquair in een in leer gebonden boekwerk over Mechelen voorin een achttiende-eeuws marktlied geplakt vond. Het ging over de achtergronden van de spotnaam 'Maneblussers' die de Mechelaren hebben. Mijn poging dat lied afzonderlijk te kopen was bij voorbaat tot mislukken gedoemd. De man voelde dat ik hevig geinteresseerd was. Als ik dat lied zo graag wilde hebben moest ik dat boek maar kopen. Dat heb ik uiteraard gedaan.”

Sinds twee jaar is Braekman hoogleraar in ruste, voorzover het lesgeven aan studenten betreft. Hij hoopt nu vaart te kunnen zetten achter het afronden van een project waarmee hij naar zijn zeggen al dertig jaar met tussenpozen doende is: het schrijven van een standaardwerk over middeleeuwse bezweringen. “Het gaat daarbij om geheime spreuken, het prikken in afbeeldingen van mensen, het uitdrijven van kwade geesten, zegeningen en al die zaken waarmee onze voorouders in de weer waren. Dat boeit mij al vanaf de tijd dat mijn vader thuis vertelde over heksen die drankjes brouwden en, terwijl ze in een grote pan op het vuur roerden, allerlei formules uitspraken. Vader vertelde zo levensecht dat de griezels mij door de leden gingen. Daarover meer aan de weet te komen, te doorgronden wat daarbij allemaal speelde, heeft mij nooit meer los gelaten. Het veldwerk is gedaan. Het moet er nu eindelijk van komen, want echt klaar ben je nooit met zo'n studie.”

Niet dat Braekman (62) op het gebied van publikaties over zijn vakgebied, de middeleeuwse cultuurgeschiedenis, de literatuur en de volkskunde tot nu toe, weinig naar buiten is getreden. Zijn oeuvre op dat terrein is omvangrijk. Een onderdeel darvan is zijn studie over de marktzangers, die resulteerde in het boek 'Hier heb ik weer wat nieuws in d'hand' (verschenen bij de Stichting Mens en Kultuur in Gent).

De belangstelling voor alles wat met geschiedenis heeft te maken werd bij Willy Braekman als kind al gewekt. Vooral door vader Georges, die onderwijzer was in Sint Lievens-Houtem. “Vader was een archiefman. Hij publiceerde regelmatig over lokale historie in plaatselijke kranten. Al jong mocht ik met hem mee als hij naar de archieven in Gent ging. Die expedities waren voor mij het summum van genot. Vader op zijn ouderwetse fiets, ik als zijn enige zoon, die alles voor hem was, op een fietsje er achteraan. Boterhammen mee in vetvrij papier, zo ging het dan richting Gent, een kilometer of dertig fietsen. Nooit zal ik de overweldigende indruk vergeten die de Gentse archieven als kind op me maakten: de plechtige, bijna gewijde stilte die er heerste, al die in mijn ogen oude mannetjes die er achter stapels papieren en dikke boeken zaten en dan de speciale geur die er hing. Ik ruik die nog. Mijn leven werd doordrenkt van geschiedenis. Van mijn moeder hoorde ik prachtige verhalen over haar tante die graaljuffrouw was, een benaming die je het beste kunt vertalen met overste, in het begijnenklooster in Aalst. Dat was ook een brok geschiedenis, zo'n eeuwenoude kloostergemeenschap.”

Wie zich in historie verdiept kan niet om de marktzangers heen. “Het is een instituut dat tot enige jaren na de Tweede Wereldoorlog heeft bestaan. Toen liet het publiek zich nog onthalen op liedjes over collaborateurs, die uiteindelijk hun straf niet ontliepen. Maar al gauw werd het marktlied definitief verdrongen door kranten, radio en televisie. Die media werden zo snel dat er voor marktzangers geen plaats meer was. Zij kwamen met hun gezongen verhalen als mosterd na de maaltijd. De mensen wisten het allemaal al. En wilde je als marktzanger scoren, dan moest je toch met een 'scoop' komen.”

Die had zanger Jacob Hendrik Arens in november 1827 met zijn lied over een walvis die strandde in Oostende. 'Als zijn bakhuys open stond,/ Twintig ellen in het rond/ 't Was een overgroot beslag,/ Als een zeeschip dat daer lag.' Het gevaarte werd schoongemaakt en aan koning Willem de Eerste aangeboden. Na een rondreis langs een groot aantal Europese steden kreeg het geraamte een vaste plaats in het zoologisch museum in Leningrad.

Zelf heeft professor Braekman goede herinneringen aan marktzangers. “In mijn jeugd waren ze nog zeer actief. Ik herinner me hoe op een zondagochtend, een prachtige lentedag, na de hoogmis, Tamboer op het kerkplein bij ons in het dorp optrad. Waarover hij zong weet ik niet meer, maar het maakte grote indruk. Het zag zwart van de mensen, want Tamboer was een vakman. Hij schreef al zijn liedteksten zelf. Dat deden alleen de heel groten. De meeste marktzangers stapten er voor naar een tekstdichter. Die waren wisselend van kwaliteit. Er werd heel wat afgerommeld op dat terrein. Marktzangers stalen ook liedteksten van elkaar. Ze veranderden dan, om niet te veel op te vallen, soms een paar coupletten, maar er was toch overduidelijk sprake van plagiaat. Dat konden ze ongestraft doen, want er was geen sprake van auteursrechten die beschermd waren. In de regel kwam zo'n diefstal niet eens uit. Als je een goede tekst van een collega in handen kon krijgen en daar een paar dagen later een eind uit de buurt furore mee probeerde te maken, kraaide er geen haan naar. Je kreeg als marktzanger pas echt moeilijkheden als je het gezag aanviel.

Vooral in de tijd van Napoleon zijn er heel wat processen gevoerd tegen marktzangers die het waagden de Franse bezetters op de hak te nemen. Opmerkelijk is dat in de bewaard gebleven rechtbankstukken de omstreden liedteksten waar het allemaal om draaide vaak ontbreken. Ik heb het kwade vermoeden dat die er in later tijd door verzamelaars uit zijn gehaald. Uiteindelijk viel het met de opgelegde straffen nog al mee. Die rechtszittingen hadden meer de bedoeling de betrokkenen schrik aan te jagen, zodat ze het geen tweede keer in hun hoofd haalden kritiek op de overheid te leveren. Het waren bijna altijd arme sloebers die behoorden tot de laagste klasse van de maatschappij. Geld was er bij hen niet te halen. Boetes opleggen had zodoende geen enkele zin. Het waren lieden die vaak met hun hele gezin rondtrokken. Soms zong de vrouw ook mee en de kinderen zorgden ervoor dat de liedteksten werden verkocht. Ook fungeerden zij als aanwijzer bij de rolprent.''

Bijna altijd behoorde tot de uitrusting van de marktliedzanger een groot vel papier of een doek waarop een serie tekeningen was gemaakt die betrekking hadden op het te zingen lied. Tijdens dat gezang werden de bijbehorende illustraties aangewezen. “Die tekeningen waren vaak gruwelijk, met veel bloed. Moorden en terechtstellingen leenden zich daar bij uitstek voor. Bij openbare terechtstellingen ontbrak de marktzanger nooit. In zijn laatste ogenblikken kon de terdoodveroordeelde al over zijn nakend dramatisch einde horen zingen. Als melodie werd meestal een bestaand populair wijsje genomen dat goed in het gehoor lag.”

Op dat gebied achterhaalde professor Braekman een lied over een moord op 25 mei 1742 in Oostakker bij Gent. Die dag wordt in de stal van haar boerderij het bebloede lijk van weduwe Janneke Devilder gevonden. Pas een jaar later wordt de dader, een zekere Jan de Riebel, aangehouden. Hij wordt levend geradbraakt en krijgt vervolgens drie steken toegediend met hetzelfde broodmes waarmee hij zijn slachtoffer van het leven beroofde. Tenslotte wordt hem de hals doorgesneden. Het zijn gegevens die in het marktlied nog een beetje aangedikt worden gebruikt. Een vader en zijn twee zoons, die in 1766 kerken als doelwit kozen voor diefstallen en vervolgens met de gestolen kunstvoorwerpen naar handelaren in Amsterdam en Middelburg stapten, verging het ook slecht. De vader en de oudste zoon moesten bij de ingang van de Janskerk in Brussel, een van hun werkterreinen, geknield om vergiffenis vragen aan God en de justitie. Na allerlei mishandelingen werden ze tenslotte levend verbrand. De jongste zoon kreeg een iets mildere straf. Hij werd gewurgd alvorens hij in vlammen opging. De lotgevallen van deze familiebende werden in 26 coupletten bezongen. Wat opvalt is dat marktliederen in de meeste gevallen eindigden met een moraal.

Terwijl Jan de Riebel zijn laatste ogenblikken afwachtte op het schavot werd het publiek voorgehouden: 'Oorlof menschen, wie gy syt,/ Print dit in u gedachten,/ Wilt Godt beminnen al met vlyt,/ Bij daghen en bij nachten,/ Onderhoudt Gods geboden snel,/ Dan komde gy in geen gequel,/ Godt sal u gratie geven,/ Hier en in 't ander leven'. Mensen zagen in die tijd in alles wat hen overkwam de hand van God. De kerk maakte daarvan een dankbaar gebruik. “Marktzangers waren een steun in de rug voor pastoors en bisschoppen. Vandaar dat ze deze lieden geen strobreed in de weg legden. Maar o wee als een marktlied over een onderwerp ging dat controversieel lag, zoals een verhaal over een pastoor die rotzooide met zijn huishoudster. De mensen vonden het prachtig, maar het was in de regel een kortstondig succes. Nieuwe optredens in zo'n parochie kon de betrokkene dan wel vergeten.”

mailIcon print |