*

 
dossier

Archief

KEUZEPATROON Zwevende kiezers conformeren zich aan klasnorm

JERRY GOOSSENS − 16/02/94, 00:00

Naarmate het eindexamenjaar vordert, wordt de vraag steeds nijpender: welke vervolgopleiding is de meest geschikte. Ondanks (of mischien wel dankzij) de immense hoeveelheid informatie die universiteiten en hogescholen over hun toekomstige studenten uitstorten, weten maar weinig leerlingen zeker wat ze willen. Volgens de Tilburgse onderzoeker Harold Smits laat de rest, een grote groep zwevende kiezers, zich in zijn studiekeuze vooral door de klasgenoten leiden.

Op de basisschool wilde Mireille van der Meij, 17 jaar jong en VWO-examenkandidaat op het Utrechtse Bonifatius-college, niets liever dan kapster worden. Een vriendin van haar moeder beoefende dat beroep en regelmatig kon Mireille de schoonheid van het kappersvak van dichtbij meemaken. Eenmaal op het VWO moest de gedroomde toekomst in de kapsalon echter al snel plaats maken voor iets anders. In de derde klas was het nog rechten, in de vierde geneeskunde, in de vijfde psychologie en in de zesde besloot ze om eerst maar eens een jaartje als au pair naar Frankrijk te gaan, om daar nog eens rustig te overdenken wat ze nu werkelijk wilde. Mede onder invloed van de school-decaan, die zei dat ze haar kop niet langer in het zand moest steken, besloot Mireille zich toch maar in te schrijven als eerstejaars psychologie. Een studierichting waar ze nu volkomen achter staat. “Maar als ik nog een jaar had gewacht, was het best mogelijk geweest dat ik toch iets anders had gekozen.”

Ook klasgenote Moira Truijens (18) houdt voorlopig een slag om de arm. Na haar examen wil ze eerst een jaar naar Oxford om daar rechten en geschiedenis te studeren. “Daarna wil ik hier in Nederland rechten doen en een tweede studie aan het conservatorium. Ik wil vooral naar Engeland om me daar op rechten te orienteren. Als je zo'n studie selecteert, weet je eigenlijk nauwelijks waar je voor kiest. Ik heb weleens een college rechten meegelopen. Dan zit je een uur lang met duizend anderen naar een verhaal te luisteren. Maar als je daar uit komt, ben je nog niets wijzer. Van de inhoud van zo'n studie weet je maar bar weinig, dus daar kun je niet bewust voor kiezen. Wel een beetje, maar nooit precies. Toch trekt het me wel hoor, die rechtenstudie.”

De boekenkast op het kamertje van de decaan is van onder to boven gevuld met tientallen, dikke ringbanden, die op hun beurt weer informatie bevatten over honderden studierichtingen. De multomappen staan symbool voor de moeilijke keus waartoe examenkandidaten in het voortgezet onderwijs zich gesteld zien. Het aanbod is overstelpend. Universiteiten en hogescholen bestoken hun toekomstige studenten met duizelingwekkende aantallen folders, boekjes, advertenties en open dagen. En er zijn maar weinigen die nu al voor de volle honderd procent zeker weten welke studie voor hen de meest geschikte is.

Harold Smits, verbonden aan de Katholieke Universiteit Brabant, onderzocht de manier waarop scholieren hun vervolgopleiding kiezen en kwam tot de conclusie dat de klasgenoten daarin een belangrijke rol spelen.

Smits ontdekte dat bepaalde studies op de ene school populairder zijn dan op de andere. Op school A bij voorbeeld, kiezen veel leerlingen voor een economische opleiding, terwijl school B relatief gezien veel juristen aflevert. Verschillen die volgens Smits niet uitsluitend te verklaren zijn uit het sociale milieu van de ouders of het al of niet hebben van een baantje.

Het verschil tussen de scholen wordt ook steeds groter naarmate de datum van het examen nadert. De onderzoeker concludeert dat een groot aantal van de scholieren zich in zijn keuze sterk laat leiden door de zogeheten klasnorm.

Mireille: “Ik kan me best voorstellen dat er scholen zijn waar leerlingen zich optrekken aan een populair groepje. Maar hier hebben we zulke groepjes niet. Van veel klasgenoten weet ik niet eens wat ze na school gaan doen. Dat weet ik alleen van m'n beste vrienden. Met de rest houd ik me niet zo bezig.”

Smits: “De VWO-scholieren die ik ondervraagd heb, zeggen meestal heel goed te weten wat ze willen. Maar dat komt niet overeen met hun keuzegdrag. Tweederde van de scholieren die een keus hebben gemaakt, komt later op die beslissing terug. Bij hen leeft de angst dat ze niet voor de goede opleiding zullen kiezen. Er zijn zoveel mogelijkheden. Dus wordt er over gepraat en worden ze door anderen over de streep getrokken. Een soort passieve beinvloeding door het klassenetwerk, dat bestaat uit leerlingen, ouders en decanen.”

Volgens Smits laten scholieren zich een keuze niet direct aanpraten, maar laten ze zich vooral door medeleerlingen tot een keuze inspireren, en conformeren zij zich zo onbewust aan de klasnorm. Smits: “Dat is niet heel erg raar. In keuzeprocessen is altijd sprake van beinvloeding. Op scholen zie je het al aan het kleedgedrag: als je geen Nike Air hebt, hoor je er niet bij.”

Roel Dekkers (17) van het Bonifatius verzucht: “Ik zou best nog een jaartje willen blijven. 't Is hier toch wel erg gezellig.”

mailIcon print |