*

 
dossier

Archief

AAD NUIS - 'Nu het pantser is afgelegd kan de publieke omroep groeien'

WILLEM BREEDVELD − 30/05/98, 00:00

Rode draad in Nuis' verhaal is een Shakespeariaans to be or not to be. Je gedraagt je als een pantserdier, geharnast maar weinig flexibel en met nauwelijks mogelijkheden tot groei, f als een gewervelde diersoort, kwetsbaarder, maar tegelijk ook veel soepeler en met ruime mogelijkheden tot groei. Pantser of ruggengraat.

Nuis gebruikte deze dwingend geformuleerde keus als titel voor zijn cultuurnota van twee jaar geleden. Maar het pantser- of ruggengraat-concept geeft zijn gedachten ook vleugels in een gesprek over de wonderlijke paradox dat uitgerekend een fervente verdediger van de ontploffings-theorie van D66 de hakken stevig in de klei heeft gezet om de zo op het oog verzuilde structuur van Hilversum overeind te willen houden. En met succes, lijkt het.

Zoals Nuis de situatie kernachtig samenvat: “Toen ik als staatssecretaris aantrad gedroegen de omroepen en omroepbaasjes zich als pantserdieren. Hun actie was gericht op behoud van het bestaande, op het verleden dus. Ze hadden zich ingegraven in schuttersputjes. Er was sprake van een loopgravenoorlog. Bijeenkomsten van omroepverenigingen deden me denken aan de vruchteloze vergaderingen van de top van de Verenigde Naties. Er zat geen beweging in. Dat alles heeft inmiddels plaatsgemaakt voor een bereidheid tot samenwerking. De omroepen hebben hun pantsers afgelegd. De blik is op de toekomst gericht. Men gaat soepeler met elkaar om. Een ruggengraat hebben ze nog wel. Maar dankzij hun zoveel soepeler opstelling is groei mogelijk.”

De metafoor spreekt nog sterker tot de verbeelding als Nuis de deerniswekkende staat beschrijft waarin de vroegere pantsers zich bevonden. Nuis: “Dat verzuilde bestel was ooit een slimme oplossing voor een lastig probleem. De politiek stond voor de keus om de radio en later ook de televisie onder te brengen in een staatsomroep, of over te laten aan de vrije krachten op de markt. Een gevolg van dat laatste zou zijn geweest dat de rijksten met de zendtijd aan de haal zouden zijn gegaan. Vanwege dit dilemma was het wel zo handig de omroep aan de zuilen over te laten.”

“Dat ging goed tot in de jaren zestig bleek dat de zuilen en de zuilverwante omroepen geen inhoud meer hadden. Van buiten waren het nog indrukwekkende pantserdieren, maar hun inhoud was papperig. De 'vertrossing' sloeg genadeloos toe. Ze waren echter vastbesloten het lang zo vol te houden. Tot met de schim van de HMG (de commerciele televisie) op de muren het wonder geschiedde: de omroepen legden hun pantser af. Zij ontdekten dat voor het kunnen handhaven van ver-scheidenheid en pluriformiteit een zekere eenheid nodig is. Kortom, ze ontdekten dat ze niet met een pantser maar met ruggengraat moesten werken.”

“Die pluriforminteit overeind te kunnen houden in de samenleving vind ik buitengewoon waardevol. Dat moeten we vooral zo houden. Mijn stelling is: de aardigste programma's zijn vaak die programma's die je zelf nooit zou maken. De EO doet prachtige dingen. Maar dat geldt ook voor de Hindoe-omroep. Je weet niet wat je ziet. Die kleuren. Die fraaie godenverhalen. Maar om die verscheidenheid overeind te kunnen houden is het wel nodig dat de omroepen een gezamenlijke visie hebben op het publieke bestel en daarmee op de toekomst. Zo niet, dan ga je onderuit en leg je het af tegen de commercie.”

Het is mooi gesproken. Maar daarmee lijkt D66 toch ver afgedwaald van het oorspronkelijke idee om de zuilen met de grond gelijk te willen maken. Het mag dan waar zijn dat de omroepen zich in een nieuw jasje hebben gestoken, hun verzuilde structuur is zichtbaar gebleven en daarmee lijken we geen stap opgeschoten te zijn in de richting van een samenleving die D66 ideaal vindt.

De vraag biedt veel aanknopingspunten voor de partij-ideoloog, schrijver en criticus die Nuis ook is. Van Mierlo wilde hem om die reden graag in het kabinet hebben. Nuis zou het typische D66-elan in het paarse kabinet tot utidrukking brengen. Met brede armgebaren zet Nuis daarom nog maar eens uiteen wat D66 in de roerige jaren zestig heeft bewogen.

“Kern van de zaak is, wat je zou kunnen noemen de herontdekking van de politiek. Ik studeerde in die tijd politieke wetenschappen, maar voor die studie leek de Nederlandse politiek niet interessant. Het ging over revolutionaire ontwikkelingen in Guatemala. Nederland zelf was, dacht men, een gemaakte samenleving. Het systeem leek perfect. Er was sprake van een end of ideology. Binnen dat volmaakt gedachte systeem beleefden we zelfs een renaissance van het zuilenstelsel.”

“Prikte je echter door die voorstelling van zaken heen, dan bleek pas goed hoe ernstig we in werkelijkheid onze democratie hadden verwaarloosd. Het systeem had weinig te maken met wat burgers zelf wilden. Die waren in feite overgeleverd aan regenten. D66 wilde daar mee afrekenen. We wilden terug naar de democratische idealen. Maar omdat onze idealen zich niet lieten herleiden tot een ideologie, of tot het gedachtengoed van een zuil, werden we een pragmatische, on-Nederlandse partij genoemd. Niets is minder waar dan dat.”

“Waar is dat D66-ers van toen en die van nu gemeen hebben dat ze ruim afstand hebben genomen van verzuilde ideeen en opvattingen. Maar daarmee is allerminst gezegd dat we norm- of waardenloos zijn. Voor D66-ers zijn normen en waarden wel degelijk belangrijk. Ze moeten echter wel stroken met de eigen innerlijke overtuiging. Je moet er van binnenuit achter kunnen staan. Ons irriteert het dat mensen zo vaak genoegen nemen met opvattingen en waarden, omdat de partij, de kerk, of welk instituut dan ook, die nu eenmaal koestert. Dat is vorm en vaak een lege vorm. Zoals ook de zuilen een vorm waren die geen inhoud meer hadden.”

Maar zo kun je toch geen politiek bedrijven? Je zult ideeân en opvattingen toch in een verband moeten onderbrengen, in een maatschappijbeeld, in een ideologie? Zo niet, dan ben je als partij bezig los zand te verzamelen.

Nuis, fel: “Dat komt er dan op neer dat de partij op voorhand weet wat zij wil. Zonder rekening te houden met wat de mensen zelf willen of denken. Daarmee roep je mensen op tot een 'sluit de rijen'. Ik gruw daarvan. Zoals PvdA-voorzitter Karin Adelmund de verkiezingsuitslag prompt interpreteerde als 'vuur dat op haar rug brandde'. Daarmee te kennen gevend dat zij of haar partij kennelijk precies weet welke kant het op moet. Vreselijk. Gelukkig maar dat zij geen voorzitter is van onze partij.”

“D66 is een mentaliteitspartij. Wij redeneren niet vanuit vaststaande ideeen of beginselen. Dat leidt alleen maar tot geruzie en haarkloverijen. Veel beter is het met een open mind naar de problemen te kijken, oplossingen te bedenken en pas achteraf te bedenken welke beginselen daarmee in het geding waren. Want uiteindelijk doe je iets nooit zomaar, maar op grond van innerlijke overwegingen. Vervolgens bleek, en dat was heel verrassend, dat D66-ers bewust of onbewust dezelfde uitgangspunten hanteerden. Dat motiveert. Het betekent dat D66 geen partij van los zand is. Het is een beetje zoals ik vroeger boeken recenseerde. Daarvoor hanteerde ik geen vooraf expliciet geformuleerde maatstaven. Je recenseerde gewoon, ook al blijkt achteraf vaak dat je wel degelijk bepaalde maatstaven hebt gehanteerd.”

Maar je moet als politieke partij toch ergens voor staan. Je kunt toch niet blind varen op zoiets ongrijpbaars als een politiek proces. Wat valt er anders nog te kiezen voor een burger?

“Nou ja, als je per se een positiebepaling wilt. Er vanuit gaande dat er sprake is van een waterscheiding tussen links en rechts, dan staan we ergens links van het midden. Noem het wat mij betreft gematigd liberaal. De burger die echt wat te kiezen wil hebben moet ons program maar bekijken. Daarin staan doorgaans goede analyses en worden ook standpunten ingenomen. Maar verwacht van ons geen beginsel in de trant van 'tegen de revolutie en voor het evangelie'. Partijen die dat wel doen maken er in de praktijk vaak ook maar een potje van. Kijk maar naar het CDA. Die partij profileert zich in het ene kabinet rechts en in het andere juist weer links.”

Daar staat tegenover dat D66 noodzakelijkerwijs een spontane partij is omdat, zoals een vooraanstaande D66-er zei, de partij of de fractie vaak een uur van te voren nog niet weet welk standpunt er ingenomen wordt.

Nuis schiet in de lach: “Zeker, zelfspot is ons niet vreemd. Ons leven is omringd met onzekerheid. Het alternatief is echter vastroesten in sjablonen. Dat willen we tot geen prijs. Daarom zullen we de politiek en de democratie telkens opnieuw moeten herontdekken. Dat was destijds ons geboorterecht en dat moet zo blijven. En dat lukt soms aardig. Dankzij D66 zouden PvdA en VVD nooit aan het paarse avontuur hebben durven beginnen. Uit pure angst over de eigen schutting te kijken.”

Zoals een D66-er de omroepen ook geleerd heeft over de eigen schutting heen te kijken?

“Teveel eer. Maar feit is wel dat ze hun pantsers hebben afgeworpen ten gunste van een open pluriform publiek bestel. Het kan soms wonderlijk gaan met die dingen. Ik heb de tijd nog meegemaakt dat je als gereformeerde jongen geacht werd niet naar de Vara te luisteren. Dat deed je natuurlijk toch. Maar pas met Johan Bodegraven van de NCRV kon je echt ontspannen zitten. Curieus genoeg hebben de omroepen zelf munitie aangedragen om die schotjes te doorbreken. Dat gebeurde met de komst van de televisie. Op het scherm ontdekten mensen wat ze al lang vermoedden, namelijk dat er in de andere zuilen over veel dingen vaak hetzelfde gedacht werd. Misschien op een wat andere manier, maar toch. Dezelfde hebbelijkheden en onhebbelijkheden.”

“Des te onbegrijpelijker is het dat het zo lang moest duren voor de omroepen tot samenwerking bereid waren en er iets van de grond kon komen dat lijkt op een open pluriform publiek bestel. Maar goed, het begint er nu toch op te lijken. Ik heb de zaak niet kunnen afronden. Maar dat is niet erg, want het wetsontwerp ligt er in de vorm van een concessie aan de publieke omroep met verschillende deelnemers. Binnen het kabinet bleek dit concept geen probleem. Die publieke omroep komt er dus wel. Het enige struikelblok was het aantal netten. De VVD wilde er minder dan drie.”

“Die knoop zal nu tijdens de kabinetsformatie doorgehakt moeten worden. Er is geen twijfel mogelijk dat het er drie zullen blijven. Ook de radio blijft zijn vijf zenders houden. Gelukkig wordt dit standpunt ook onderschreven door een rapport van McKinsey. Een ander concept heeft geen kans van slagen. De VVD zal daarom wel akkoord gaan. Maar zij zal in ruil daarvoor iets terug willen hebben. Hetzij binnen de sfeer van de omroep, hetzij daar buiten.”

Komt Nuis terug als minister van cultuur?

“Nee, Nuis komt niet terug. Ik heb me ook niet verkiesbaar gesteld. In augustus wordt ik 65. Ik vind het wel zo'n goed idee de resterende tijd te gebruiken om een boek te schrijven. Nee, ik zeg niet wat voor boek. Iets over de politiek, maar dan in de sfeer van fictie. En wat die minister van cultuur betreft: de personen die zo'n figuur hebben bepleit hebben kennelijk geen enkel idee wie in het buitenland zoal minister van cultuur is. Ze verwezen naar de president van Frankrijk als een cultuuruitdrager bij uitstek. Nou, zo iemand hebben we al in de persoon van ons staatshoofd en die van de minister-president. En als het zo te pas komt zal iedere minister onze cultuur in het buitenland uitdragen. Daar hebben we geen aparte minister voor nodig.”

Lachend: “Als staatssecretaris van cultuur heb ik verschillende keren een Europese raad van ministers van cultuur voorgezeten. Vanzelfsprekend werd ik bij die gelegenheid ook gewoon aangesproken als minister. Wie ben ik om dat op dat moment tegen te spreken?”

mailIcon print |