*

 
dossier

Archief

Mandement uit Rome negeert op verbijsterende wijze vrijwilligers

L. LAEYENDECKER − 07/01/98, 00:00

Het was natuurlijk toevallig. Op de dag dat in Nijmegen een conferentie plaatsvond over het nog altijd stijgende belang van de inzet van vrijwilligers in de katholieke kerk, verscheen de Nederlandse vertaling van een Vaticaans document: 'Instructie over de medewerking van lekengelovigen aan het dienstwerk van de priesters'. Deze instructie heeft al veel beroering gewekt, ondermeer in Oostenrijk, zoals Trouw op 3 januari berichtte.

Wie, wellicht tegen beter weten in, gehoopt had dat in het document zou worden rechtgedaan aan de huidige situatie in het kerkelijke pastoraat, dat zonder de lekenhelpers tot een kaal geraamte zou vervallen, komt bedrogen uit. De inzet van zoveel niet-gewijden valt natuurlijk te prijzen, zo is de strekking van het geschrift, maar zij dienen wel hun plaats te weten. En die plaats is er een van absolute en alzijdige onderschikking aan het gewijde ambt.

De Instructie beoogt 'een helder en gezaghebbend antwoord op de dringende en talrijke vragen die de Vaticaanse departementen hebben bereikt.' Wie tussen de regels leest - een aantal malen wordt het ook expliciet toegegeven - wordt gewaar dat er heel wat in beweging is en dat overal gebruiken zijn ingeslopen die het Vaticaan klaarblijkelijk ernstig verontrusten. Welke dat zijn, valt gemakkelijk uit het onderdeel 'Praktische bepalingen' af te leiden. Zij betreffen drie terreinen: prediking, sacramentsbediening en bestuur.

Leken mogen niet het Woord verkondigen, tenzij met toestemming van de bisschoppenconferentie en dan nog alleen 'indien in bepaalde omstandigheden de noodzaak hiertoe aanwezig is'. Maar de Schriftuitleg tijdens de Eucharistieviering is uitsluitend aan gewijden voorbehouden; daarin kan zelfs de bisschop niet dispenseren. Waarom zou het dan toch zo vaak gebeuren?

Het komt klaarblijkelijk ook voor dat in de eucharistievieringen een niet-gewijde als 'quasi-voorzitter' optreedt maar aan de priester een minimaal deel wordt voorbehouden om de geldigheid van het sacrament te garanderen. Dat mag niet. Ook mag de leek geen priesterlijke gewaden dragen en slechts als er werkelijke noodzaak is de communie uitreiken. Daarvoor behoeven zij een aanstelling door de bisschop. Wel mogen zij bij afwezigheid van een priester gebedsdiensten leiden, maar ook weer alleen met een speciaal bisschoppelijk mandaat. Met zo'n gebedsdienst kunnen katholieken overigens niet aan hun zondagsplicht voldoen.

Leken mogen wel dopen maar alleen als het redelijkerwijze nodig is. De ziekenzalving is echter aan de gewijde voorbehouden, een pastorale werker mag dat dus niet - hoe zou dat gaan in ziekenhuizen? - noch met gewijde noch met niet-gewijde olie. Dat laatste is interessant; zou het gebruik daarvan opgekomen zijn als een praktische oplossing om de wet soepel te hanteren? Evenmin mogen niet-gewijden assisteren bij een huwelijkssluiting. De bisschop mag alleen met verlof van de H. Stoel daartoe dispensatie verlenen. Bij een kerkelijke uitvaart mag de niet-gewijde wel voorgaan, daartoe hoeft de priester alleen maar 'werkelijk afwezig' te zijn.

Het 'besturen, coƶrdineren en leiden van een parochie komt alleen toe aan de priester'. Parochiƫle raden hebben alleen een adviserende stem; als de pastoor niet bij de vergadering kan zijn, zijn de beslissingen ongeldig. Diocesane raden kunnen 'hun eigen instemming met een daad van de bisschop alleen geldig betuigen wanneer een dergelijke instemming uitdrukkelijk vereist is door het recht'. Je kunt je instemming dus ook ongeldig betuigen? Waar al niet aan gedacht wordt.

Er zou heel wat moeten veranderen als deze Instructie werkelijk zou worden uitgevoerd en dat zou bepaald niet ten voordele van het kerkeijk leven zijn. Maar over de kwaliteit van dat kerkelijk leven gaat het in die instructie dan ook niet of nauwelijks. Het gaat alleen om de bevestiging van het autoritaire en hierarchische kerkbeeld van voor het Tweede Vaticaans Concilie.

Uit deze Instructie wordt weer eens duidelijk dat het onderscheid tussen gewijden en de niet-gewijde rest dit kerkbeeld schraagt. De gewijden zijn in een duidelijke rangorde, paus, bisschoppen, priesters, ondergebracht en door een grote kloof van de niet-gewijden gescheiden. En hoe vriendelijk deze ook benaderd worden en hoe zij ook bedankt worden voor hun edelmoedige inzet, zij zijn 'slechts in enkele functies en tot op zekere hoogte' medewerkers en ook niets meer dan dat. 'Meewerken betekent immers niet vervangen'. Op zichzelf zijn zij in Vaticaanse ogen bijna niets, al heten zij nog wel een 'priesterlijk volk'. Maar dat zegt niet zoveel want 'wanneer in de gemeenschap de priester afwezig is, is zij in feite beroofd van de sacramentele functie van Christus, Hoofd en Herder, die wezenlijk (is) voor het leven zelf van de kerkelijke gemeenschap'. Wellicht om voor de hand liggende misverstanden te voorkomen, stelt de Instructie: 'Men moet goed begrijpen dat deze preciseringen en distincties niet geboren zijn uit een zorg om de privileges van clerici te verdedigen' - natuurlijk niet - 'maar uit de noodzaak gehoorzaam te zijn aan de wil van Christus, de constitutieve vorm respecterend die Hij onuitwisbaar aan de Kerk heeft opgelegd'. Wie dus tegenspreekt of daar anders over denkt, verzet zich tegen Christus.

Daarmee moet iedereen de mond gesnoerd worden. De huidige machtsverdeling is heilig en mag niet worden aangetast. Dat die praktisch overal ter discussie staat, is dan ook een 'ernstig misbruik' dat onverwijld dient te worden tegengegaan. Men beroept zich op een schriftuitleg en theologische gezichtspunten die door vele recente inzichten van competente exegeten en theologen allang zijn herzien. Uit de 'sacrale meerwaarde' van de priester wordt in dit document rechtlijnig diens bestuurlijke bevoegdheid afgeleid hoewel er tusen beide geen enkel dwingend inhoudelijk verband bestaat. Waarom zou eigenlijk een bedienaar van sacramenten de kerkelijke gemeenschap ook moeten besturen en coordineren? Aan het priestertekort wordt achteloos voorbijgegaan. Er is 'in sommige streken een getalsmatige schaarste' maar elders is er 'een veelbelovende bloei die positieve vooruitzichten biedt'. Zo eenvoudig is dat. Over het celibaat wordt in dit verband niet gesproken. Alleen wordt beweerd dat het tekort aan roepingen in de hand gewerkt wordt door de feitelijke opwaardering van de leken. Een merkwaardige redenering, maar als daar al iets van waar zou zijn, wil het zeggen dat het ambt langzamerhand niet meer aantrekkelijk is. Zou dat het Vaticaan niet te denken moeten geven. Die opwaardering is overigens een goede zaak. Op het genoemde Nijmeegse congres bleek dan ook behoefte aan meer erkenning. Vrijwilligers die zich inzetten voor een organisatie zonder reele inspraak en medezeggenschap raken gedemotiveerd.

Men kan zich over deze zwaar met namen van gezagsdragers opgetuigde Instructie opwinden of verbazen, al naar gelang het eigen temperament. Dat neemt het jammerlijke feit niet weg dat dit verbijsterend geschrift voor de nodige onrust en conflicten kan zorgen. Iets dergelijks gebeurde met het Bisschoppelijk Mandement van 1954 waarin o.a. allerlei verboden werden uitgevaardigd over het lidmatschap van niet-katholieke organisaties. Dat heeft toen veel leed berokkend aan diegenen die zich oprecht voor een open katholicisme hadden ingezet. Dat kan weer gebeuren, tenzij men de rug recht weet te houden. Het Mandement van 1954 bleek namelijk al spoedig een slag in de lucht te zijn, een achterhoedegevecht, om de voor de hand liggende reden dat de Nederlandse katholieken het eenvoudig naast zich neer hebben gelegd. Er heeft nooit meer een haan naar gekraaid; het is zelfs herroepen. Dus misschien moeten we over de effecten van dit Vaticaanse Mandement ook niet al te somber zijn.

mailIcon print |