*

 
dossier

Archief

Kunstonderwijs in het harnas ongenaakbaar voor achterliggende vragen

JOOST SMIERS − 09/12/97, 00:00

Als we staatssecretaris Nuis van OC & W mogen geloven (morgen zegt hij het weer in de Kamer) beschikt Nederland over een uiterst beroerd kunstonderwijs waar hoog nodig, en met ferme hand, ingegrepen moet worden. Dat gaat dan ook gebeuren; de start is heden. Een 'projectbureau' van ex-topambtenaren heeft de opdracht gekregen om in de komende vier jaar orde op zaken te stellen: film, theater, dans, muziek, beeldende kunst en vormgeving worden in een klein aantal opleidingen samengevoegd en er komen uniforme leerdoelen, selectiecriteria, startkwalificaties, kwaliteitsoordelen, en dat alles, per regio, onder één 'centrale regie.'

De reden? Kunstonderwijs en beroepspraktijk fietsen, volgens de staatssecretaris, hopeloos langs elkaar heen. Althans volgens dezelfde staatssecretaris die in zijn Kunstenplan uiterst tevreden is over het Nederlandse kunstleven. Dus, tevreden over de beroepspraktijken die bemenst worden door kunstenaars die opgeleid zijn in het door hem vermaledijde kunstonderwijs!

In de eenentwintigste eeuw zal het kunstenlandschap niet meer hetzelfde zijn als in de twintigste eeuw. De voorbereiding voor het kunstenaarsschap wordt dus geplaatst voor een stevige uitdaging. Daar is geen twijfel over mogelijk. Ha, denkt Nuis, een uitdaging: dus, ik - ik de politiek - ga het kunstonderwijs van top tot teen regelen, plaats er een centrale regie boven en verordonneer dat het kunstonderwijs naadloos aansluit op de beroepspraktijk. Dat lijkt niet verstandig.

Na de val van de Berlijnse muur heeft het westen, terecht, de landen in Midden- en Oost-Europa voorgehouden dat de overheid zich op grote afstand moet houden van beslissingen over cultuur en educatie; wel financieren, maar verder op armlengte blijven. die stelregel zou ook voor Nuis zelf moeten gelden. Het is interessant te zien hoe het paarse kabinet, dat de spoorwegen in het vrije spel van krachten laat aanrommelen, met betrekking tot essentiële onderdelen van cultuur en educatie zelf aan het regelen slaat; in zijn uiterste consequentie zelfs ten aanzien van de inhoud van de programma's op radio en TV via de benoeming van netmanagers en dus nu ook in het kunstonderwijs.

Vreselijke angst lijkt de staatssecretaris te hebben dat het kunstonderwijs naadloos aansluit op de beroepspraktijk. Misschien is dat juist wel heel erg goed. Het stomste wat gedaan kan worden is onderwijs africhten op de korte termijnblik van het aanpalende bedrijfsleven. Dat geldt ook voor de kunsten. Ook die zijn niet boven de waan van de dag verheven. Het is een rijkdom als een land zich onderwijs kan en wil permitteren dat minstens een poging doet om ook nog andere vraagstukken en technieken aan de orde te stellen dan de onmiddellijk gevraagde.

Bovendien bestaat er in het Nederlandse kunstenland niet één beroepspraktijk; er zijn er vele en nog eens vele. Op welke van die vele beroepspraktijken, die bovendien voortdurend wijzigen, moet het kunstonderwijs naadloos aansluiten?

De uniformering waar Nuis op afstevent is gebaseerd op de uitruil van studierichtingen tussen scholen, waar geheel nieuwe, of vergeten, behoeften geen plek in zullen kunnen vinden. Wat te denken, bijvoorbeeld, van de crafts? Het is vreemd dat in Nederland allerlei crafts (zoals grafische techniek, houtbewerking, restauratietechnieken, woninginrichting, schoen- en textieltechniek) na het MBO geen of nauwelijks vervolg kennen op een hoger onderwijsniveau. Dat is jammer en een verarming voor onze cultuur, maar door het harnas waar Nuis het kunstonderwijs in gaat stoppen zal dat manco nooit meer gerepareerd kunnen worden.

Nalatigheid

De staatssecretaris doet te veel - reglementeren - maar hij en zijn minister laten ook wat na. In tegenstelling tot in Nederland is het in de Angelsaksische wereld heel gewoon dat beroepsvoorbereidende en wetenschappelijke disciplines in hetzelfde instituut, de universiteit, gedoceerd worden. Daar zit er een verstandige gedachte achter. Die gedachte is dat het hoger onderwijs in staat moet zijn een grote variëteit van onderwijs- en onderzoeksvormen aan te bieden.

Een binair stelsel, waarin de voorbereiding op maatschappelijke beroepen en het aanbrengen van een wetenschappelijke attitude gescheiden moeten optrekken, slaat de plank per definitie mis. Het kunstonderwijs is daar de levende getuige van. Inderdaad, er wordt voorbereid op beroepen. Maar tegelijkertijd is het waar dat verschillende van die beroepen of praktijken er nu nog niet zijn, maar door nieuwe wegen die kunstenaars inslaan ontstaan. Aan die nieuwe wegen, dus aan het artistieke werk en enigszins onderscheiden van het artistieke werk, gaat veel onderzoek vooraf: niet altijd het positivistische, falsifieerbare onderzoek, maar wel degelijk onderzoek: het nog niet gekende de kans geven enigszins gekend te worden. Dat tekent het kunstonderwijs; het is niet alleen maar een receptenboek op hoog niveau.

De volgende stap is dat het kunstonderwijs ook veel te zoeken heeft in de wetenschappelijke hoek. Nuis mag het leuk vinden of niet, studenten moet de kans geboden worden om na hun afstuderen theoretische vragen, die gerelateerd zijn aan de artistieke praktijk, ten diepste te onderzoeken en daar op het hoogste niveau dat wij maatschappelijk kennen - het doctoraat, de MPhil, de PhD - verantwoording over af te leggen. Voor sommige studenten is het belangrijk dat zij de ontwikkeling van hun nieuwsgierigheid niet bruusk afgebroken zien bij het voltooien van hun kunstopleiding, zoals nu veelal het geval is.

Ook voor de artistieke praktijk is belangrijk dat bepaalde thematieken ten volle doordacht, onderzocht en uitgeprobeerd worden. Een voorbeeld uit vele: in de westerse cultuur weten we nauwelijks iets over de overgang van de spreek- naar zangstem bij het acteren. In de theatrale praktijk lijken dat daarom twee verschillende werleden. Aan de universiteit wordt niet bedacht dat dit een thema van onderzoek zou moeten zijn en het instrumentarium om zulk onderzoek te doen is daar maar zeer ten dele voorhanden. Het kunstonderwijs moet de context moet bieden voor dit soort onderzoek, waarin praktijk en theorie gelijk opgaan. En het kunstonderwijs moet geëquipeerd zijn om zulk een soort onderzoek te kunnen honoreren met een doctoraat.

Voor het kunstonderwijs - en ook voor de rest van het hoger beroepsonderwijs en voor de universiteiten - zou het een zegen zijn als ook Nederland overstapt op één stelsel van hoger onderwijs dat geen barrières opwerpt voor de mengvormen van onderwijs, training en onderzoek die recht doen aan de complexiteit van onze samenleving. De exercitie die de ex-topambtenaren van Nuis nu gaan ondernemen om het kunstonderwijs te uniformeren en onder een centrale regie te plaatsen is een beetje achterhaald.

mailIcon print |