De auteur is hoofdredactrice van het feministisch maandblad Opzij.
In ons land wordt het nationaal inkomen slechts voor een kwart verdiend door vrouwen en dat terwijl de opleiding van vrouwen en mannen jonger dan 45 jaar tegenwoordig nagenoeg gelijk is. Dus daar kan het niet aan liggen. Waar het wel aan ligt: er werken nog steeds relatief weinig vrouwen in Nederland (4 van de 10 vrouwen tegen 7 van de 10 mannen); als vrouwen een baan hebben is dat vaak een (kleine) parttime baan (60 procent van de buitenshuis werkende vrouwen heeft een parttime baan, de helft heeft zelfs een baan van minder dan 20 uur per week); vrouwen werken vooral in de sectoren waar geen hoge salarissen worden betaald; ze hebben niet vaak een leidinggevende functie (14 procent), als zij een werkende partner hebben wordt het tweede inkomen zwaar belast en, alsof dit allemaal al niet erg genoeg is, worden vrouwen voor hetzelfde werk vaak ook nog slechter betaald.
Zo komt het dat van alle werkende vrouwen in ons land maar zo'n 40 procent zou kunnen leven van haar eigen inkomen. Nu is dat voor een groot deel van die vrouwen ook geen noodzaak: ze hebben een partner met een inkomen, dat voorzien is van allerlei kostwinnersvergoedingen. Dus omkomen van de honger doen zij niet. Maar van het oude ideaal van de tweede feministische golf, zoals dat jarenlang met taaie volharding werd uitgedragen door Joke Smit, namelijk dat elk volwassen mens zichzelf moest kunnen 'bedruipen', ook financieel, is in ons land tot nog toe dus nog maar weinig terechtgekomen.
Voor de meeste feministen die zich dagelijks bezighouden met de positie van de vrouw, waren de cijfers van de VN-onderzoekers geen nieuws; zij weten allang dat het in Nederland best goed gaat met de emancipatie, als je kijkt naar de gezondheidszorg (bijvoorbeeld een prima anti-conceptiebeleid, waardoor Nederland het kleinste aantal abortussen ter wereld heeft) en het onderwijs (de opleiding van meisjes ligt tegenwoordig op hetzelfde niveau als dat van jongens), maar dat de financiële zelfstandigheid van vrouwen veel te wensen overlaat.
Maar elke keer dat ze daar iets over zeggen, krijgen ze vermoeide reacties in de trant van: 'Hou nou toch eens op met dat gezeur, het is in Nederland toch allemaal prima voor elkaar, kijk liever naar de vrouwen in de Derde Wereld, die hebben pas reden tot klagen', waardoor ze op den duur hun mond maar houden. Niet alleen buitenstaanders vertonen die reactie, ook jonge geëmancipeerde vrouwen willen dergelijke geluiden niet meer horen: 'Houd op met het slachtoffer uit te hangen, als je echt iets wilt, kom je er wel', is hun overtuiging.
Heel fijn dus, die koele, zakelijke cijfers van een onbevooroordeeld bureau van de Verenigde Naties. Laat een ander het maar zeggen. Bovendien zijn cijfers een gave uit de hemel, want uit eigen ervaring weet ik dat vooral mannen nooit iets geloven voorat je je uitspraken kunt voorzien van de nodige percentages en statistieken.
Bij mijn lezingen over alle mogelijke emancipatoire onderwerpen zit er steevast een man in de zaal die vraagt: 'Hebt u daar cijfers over?' Of het nu gaat over ongelukkige huisvrouwen, vrouwen die een baan zoeken, vrouwen die een glaasje te veel drinken of aan medicijnen verslaafd zijn, vrouwen die in de psychiatrie terechtkomen, vrouwen die geen of juist wel kinderen willen: mannen geloven het bestaan van een probleem pas als het onderbouwd is met cijfers. Uitgebreide persoonlijke ervaringen overtuigen hen zelden of nooit.
Vroeger schrok ik me altijd een ongeluk als zo'n man van achter uit de zaal mijn gepassioneerde betoog beantwoordde met z'n koele vraag over de bijbehorende cijfers. Vliegensvlug verzon ik een percentage en pas dan geloofde de man dat er bijvoorbeeld veel vrouwen thuiszitten die eigenlijk heel graag betaald werk zouden willen hebben. Wijs geworden zorg ik nu altijd over alle mogelijke onderwerpen cijfers te hebben die niet uit mijn fantasie, maar van bestaand onderzoek afkomstig zijn. Nu zijn daar dus uit volstrekt onverdachte hoek nog vele pagina's cijfermateriaal bijgekomen.
De eerste man die zeer geschrokken reageerde op de VN-cijfers was minister Melkert van sociale zaken, tevens belast met het emancipatiebeleid. Hij was verontrust en vond de uitkomsten van het rapport 'sociaal ongewenst en economisch kortzichtig', voor hem 'reden te meer om het emancipatiebeleid te intensiveren', zoals hij in Trouw verklaarde.
Dezer dagen vertrekt de minister naar Peking voor de VN-Wereldvrouwenconferentie. Hij zal zich dus gauw achter een sierpalm moeten verbergen wanneer zijn collega's uit Barbados, Tsjechië, Slowakije of België in de buurt zijn, wil hij niet beschaamd moeten toegeven dat het in zijn welvarende Nederland niet zo best gesteld is met de positie van vrouwen.
Greetje den Ouden, voorzitter van de Emancipatieraad, die in zijn delegatie zit, lacht in haar vuistje. “Prima dat het nu eens een keertje van buitenaf wordt gezegd. De ER zegt al zo vaak in alle rapporten dat het in Nederland met de theorie wel deugt, maar dat de praktijk aan alle kanten rammelt. Nu krijgt Melkert een extra aansporing om echt iets te doen aan het fiscale systeem dat het inkomen van de werkende vrouw met een partner sterk afroomt, aan gelijk loon voor gelijke arbeid en aan een wettelijk recht op deeltijd.”
Inderdaad: nu moet Melkert aan de slag. Ten eerste: bestem van de 40 000 zogenaamde Melkert-banen er nu eens 15 000 voor werkloze vrouwen. Ten tweede: maak ernst met het wettelijk recht op deeltijdwerk, waardoor meer mannen een part-time baan zullen nemen, wat meer werkgelegenheid voor vrouwen oplevert. En ten derde: kijk nog eens naar de mogelijkheden van arbeidstijdverkorting als instrument om meer banen te krijgen.
Joke Smit propageerde eind jaren zeventig de vijfurige werkdag, toen als middel om mannen en vrouwen beide de gelegenheid te geven een baan en een gezin te combineren. Marcel van Dam heeft in de jaren tachtig dit plan opnieuw van stal gehaald, maar toen vooral als oplossing van de intussen sterk gegroeide werkloosheid. In Opzij van september noemt hij tien jaar later dit middel nog steeds het enige doeltreffende instrument om twee zaken te verenigingen: werkgelegenheid voor meer mensen en een betere verdeling van het betaalde en onbetaalde werk over mannen en vrouwen.
Soms hebben vrouwen trouwens betere kansen dan mannen: zo worden ze in ons land gemiddeld 80 jaar, tegen mannen 74. Eindelijk eens Baas boven Baas. Maar ja, wel een langer leven, maar nooit geld voor iets leuks. Dat is ook niet alles.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.