*

 
dossier

Archief

Misplaatste woede over pensioenclaims

J. A. BENDERS − 13/09/95, 00:00

De auteur was tot zijn pensionering in 1994 raadgevend actuaris/pensioenadviseur.

Pensioen wordt door een leefgemeenschap verworven om er te zijner tijd samen van te genieten. En als dat 'samen' er door een echtscheiding niet van komt, dan is het schrijnend onrecht als de meestal mannelijke deelnemer aan de pensioenregeling er alleen mee aan de haal kan gaan. Dit inzicht is de basis van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, die per 1 mei jl. in werking is getreden. En met effect, zoals blijkt. Uiteraard zijn de druiven zuur bij degenen die hiermee worden geconfronteerd. Maar dat kan geen reden zijn om de wet nu maar weer in te trekken.

Het meest omstreden blijkt artikel 12 te zijn. Of dit betekent dat de opponenten de wet als zodanig wel acceptabel vinden is niet duidelijk. In hoofdlijn werkt de wet voor nieuwe scheidingen en aangezien er veel meer voor dan na de pensioenleeftijd gescheiden wordt, zal het effect pas zeer geleidelijk aan de dag treden. Hoe zit het dan met artikel 12? Hier is enige historie voor nodig om dat uit te leggen.

De achterstelling van gescheiden vrouwen (algemeen gesproken) is destijds juridisch vastgelegd door een uitspraak van de Hoge Raad, waarin het pensioen als persoonlijk recht werd beschouwd en dus niet vatbaar voor claims van de gescheiden vrouw. Deze conclusie is helaas jaren lang als het eind van alle tegenspraak geaccepteerd, met als effect dat er vele financiële noodsituaties ontstonden. In Trouw van 3 juni 1994 was te lezen dat oudere vrouwen met alleen AOW behoren tot de slechtst bedeelde groepen en bittere armoede tegemoet gaan. Dat is dus andere koek dan een mooi kleedgeld. Dat is het algemene beeld waar we mee te maken hebben.

Pas in 1981 is in een procedure door de Hoge Raad erkend dat het pensioenrecht gezien moet worden als een onderdeel van de bij de echtscheiding te verdelen boedel. Sindsdien is er een verdelingspraktijk op gang gekomen, met de nodige gebreken. Er ontstond namelijk geen eigen recht jegens de pensioenuitvoerder maar jegens de ex-echtgenoot, met alle problemen vandien om dat recht te verzilveren.

Bovendien zat er een overmatigheid in omdat het hele tot de scheiding opgebouwde pensioen in de verdeling betrokken werd. De nieuwe wet regelt slechts de verdeling van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen.

In het ontwerp werd gesteld dat alleen scheidingen na de inwerkingtreding van de wet volgens deze regels behandeld zouden worden. Scheidingen vanaf 1981 tot heden moesten maar volgens het verdelingsarrest afgewerkt blijven worden. En scheidingen van voor 1981? Daar was helaas niets meer aan te doen.

Dank zij een grandioze inzet van de dames Kalsbeek en Soutendijk heeft de Tweede Kamer er bij amendement het befaamde artikel 12 aan toegevoegd. Dit biedt voor deze gevallen een toedeling van een kwart in plaats van de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen, onder enkele aanvullende voorwaarden. En hier gaat dan al dat gekrakeel en die stemmingmakerij over. Uiteraard was te voorzien dat dit een tegenvaller zou zijn voor mensen die dit zou treffen. Het is nooit leuk om een onterecht voordeel af te moeten staan. Maar dit rechtvaardigt toch geen actie om de scheefgegroeide 'rechts'verhoudingen te herstellen?

Wat voor argumenten worden er nu aangevoerd? Er is soms jarenlang alimentatie betaald. Ja, logisch, dat zal nodig geweest zijn. De alimentatieduur is nu ingeperkt. Waarom zou een gescheiden vrouw het met AOW moeten doen als haar ex het samen verdiende pensioen alleen zou ontvangen? Soms hebben ze het niet eens nodig, zo zegt men. Ja, er zijn ook mensen die de kinderbijslag of de AOW niet nodig hebben, maar dat is geen reden om hun deze rechten te onthouden. Er is geen beroepsmogelijkheid. Als de toedeling onbillijk zou zijn omdat destijds bij de scheiding goede pensioenregelingen getroffen zijn, dan gaat de toedeling niet door. Ook kunnen lopende alimentatieverplichtingen aangepast worden zodat er compensatie ontstaat voor de pensioentoedeling. Er is dus wel degelijk speelruimte.

En dan de man met de vele scheidingen. Die kan zijn tweede en derde alimentatie niet meer betalen. Jammer, maar heeft zijn eerste vrouw niet de oudste rechten? Het is wel leuk om schrijnende gevallen ten tonele te voeren, maar die moeten dan toch wel evenwichtig bekeken worden.

En dan ten slotte de man die in 1945 scheidde. Die moet van zijn pensioenrecht dat hij in 1945 opgebouwd had (hoe weinig zal dat zijn?) nu een kwart afstaan. Dit stelt zo weinig voor dat dit moeilijk als argument serieus genomen kan worden.

Laat George Marlet maar eens contact zoeken mmet de stichting 'Recht op recht vóór '81' in Den Haag, dan hoort hij verhalen van de andere kant. Het komt namelijk schrijnend over dat een eenzijdig groepsbelang, behartigd door de stichting SOGM, gepresenteerd wordt als een zaak van algemeen belang en van overwegende onbillijkheid.

mailIcon print |